Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want dat hij hen beveelt zich zeiven te reinigen, is evengoed alsof hij gezegd had: tot hiertoe waart gij bezoedeld voor den Heere; maar thans nu Hij zoo genadig ons heeft aangezien, moet gij dien smet afwasschen, opdat daardoor Zijn aangezicht niet wederom van ons worde afgewend. Toch schijnt het ongerijmd, dat Jacob de afgodsbeelden heeft begraven onder een eik, in plaats van ze te vernietigen en met vuur te verbranden, gelijk wij lezen, dat Mozes heeft gedaan met de gouden kalveren, (Ex. 32 : 20) en Hiskia met den koperen slang, (2 Kon. 8 : 4). Daarom wordt niet zonder reden de plaats aangeduid, want daarin ligt eene berisping van Jacobs zwakheid, dat liij niet genoeg zorgde voor de toekomst. Misschien heeft de Heere hem ook gestraft over de al te groote toegefelijkheid en weekelijkheid van vroeger, door hem hierin voorzichtigheid en moed te onthouden.

Toch heeft de Heere zijne gehoorzaamheid, al bleef daarin eenige zondigheid over, aangenomen. Hij wist n. 1. dat het voornemen des heiligen mans was, de afgoden weg te nemen en tot teeken van afkeer in de aarde te begraven. Het is in het minst niet twijfelachtig, of de gouden versierselen zijn teekenen geweest van bijgeloof, gelijk ook heden onder't Pausdom ontelbare beuzelingen worden opgemerkt, waarin het ongeloof zich vertoont.

5. En eene verschrikking Gods lag op de stad. Thans blijkt metterdaad, dat de behoudenis niet te vergeefs door God is beloofd aan den heiligen man. Immers niet alleen veilig maar ook rustig gaat hij tusschen zoovele zwaarden door. Door den ondergang der Sichemieten waren alle naburige volken in rassenhaat ontvlamd, en toch verroert niemand zich om wraak te nemen. De reden daarvan wordt door Mozes genoemd, n. 1. dat eene verschrikking Gods op hen was gevallen, waardoor hunne geweldige uitbarstingen werden onderdrukt. Hieruit moeten wij leeren, dat de harten der menschen zijn in de hand Gods, zoo dat Hij die, welke in zich zeiven zwak zijn, toerust met sterkte en wederom, zoo dikwijls 't Hem goeddunkt eene hardheid als van ijzer buigzaam maakt. Wel laat Hij nu en dan velen hunne trotschheid luchten, totdat Hij ten slotte met zijne kracht hen tegenkomt. Doch dikwijls verzwakt hij door vrees dezulken, die moedig waren als leeuwen. Aldus zien wij die reuzen, die den heiligen Jacob wel duizendmaal hadden kunnen verslinden, plotseling door vrees getroffen worden, zoodat ze versmelten.

Sluiten