Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20. En de magere en leelijke koeien aten op de zeven eerste vette koeien.

21. En zij kwamen in haren buik, en men bemerkte niet, dat zij in haren buik gekomen waren; en de aanblik van deze was leelijk, gelijk in het begin. Toen ontwaakte ik.

22. Daarna zag ik terwijl ik droomde, en zie, zeven aren klommen op in éénen halm, vol en schoon.

23. En zie eveneens zeven kleine en magere aren verzengd van den zuid-oostenwind, schoten na deze uit.

24. En de magere aren verslonden de zeven schoone aren. En ik heb den droom verhaald aan de toovenaars en er was niemand die hem mij kon verklaren.

25. En Jozef zeide tot Pharao : De droom van Pharao is één; wat God doet, heeft Hij aan Pharao te kennen gegeven.

26. De zeven schoone koeien zijn zeven jaren en de zeven schoone aren, zijn zeven jaren, de droom is dezelfde.

27. En de zeven magere en leelijke koeien, die na deze opkwamen, zijn zeven jaren, en de zeven magere en van den zuid-oostenwind verzengde aren, zullen zeven jaren van hongersnood zijn.'

28. Dit is het woord, dat ik gesproken heb tot Pharao, wat God doet, deed Hij Pharao zien.

29. Zie er zullen zeven jaren komen van grooten overvloed in het geheele land van Egypte.

30. En na deze zullen zeven jaren van hongersnöod komen, en alle overvloed in het land van Egypte zal vergeten worden, en de honger zal het land verteren.

31. Ook zal de overvloed in het land niet bemerkt worden, vanwege den hongersnood die volgt, want die zal zeer zwaar zijn.

32. Doch daarom is de droom aan Pharao tot tweemaal toe herhaald, omdat de zaak vastbesloten is door God en God zich haast om dezelve te doen.

33. Daarom zie Pharao thans om naar een voorzichtig, en wijs man, en stelle hem over het land van Egypte.

34. Pharao doe zoo, en stelle opzichters over het land, en neme het vijfde deel van het land van Egypte gedurende de zeven jaren van overvloed.

Sluiten