Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Terwijl ik droomde. Dit geheele verhaal behoeft geene uitlegging, want Pharao herhaalt slechts, wat wij vroeger hebben gezien. Alleen dit voegt hij er aan toe, dat toen de magere koeien de vette hadden verslonden, zij er niets beter op geworden waren. En daarmee wilde de Heere openbaren, dat de onvruchtbaarheid zoo groot zou zijn, dat de menschen van den verzamelden voorraad koren niet mildelijk zouden worden gevoed, maar als hongerigen met moeite het leven zouden rekken.

Met zijn antwoord, dat de droom één was, bedoelt Jozef eenvoudig, dat een en hetzelfde feit in twee gelijkenissen aan Pharao was vertoond. Voordat hij nu zijne uitlegging te voorschijn brengt, geeft hij de verzekering, dat het hier geen ijdelen droom geldt, maar eene goddelijke openbaring. Want zoo de verschijning niet van God was gekomen, zou het dwaas geweest zijn, om angstig te vragen wat hij beduidde. Doch nu het eene vraag geldt naar Gods Raad, doet Pharao geene vergeefsche moeite. Overigens verdient opmerking de wijze van spreken, want Jozef zegt niet maar, dat God voorzegt, wat door eene andere oorzaak zou gebeuren, maar wat Hij zelf van plan was te doen. Hieruit toch besluiten wij : dat God geen ledig aanschouwer is van den toevalligen loop der dingen, gelijk de meeste wijsgeeren praten, maar dat Hij door zijnen wil bepaalt, wat gebeuren zal En daarom geeft Hij bij de voorspelling geen antwoord uit voorspellende boeken, gelijk de dichters zich verbeelden, dat Apollo die dingen, welke niet in zijne hand zijn, voorspelt, maar Hij verkondigt, dat al wat gebeurt zijn werk is. Om te zorgen dat God tot zijne eere komt, schrijft Jesaja hem beide vermogens toe, (Jes. 45 vs. 7) n. 1. om de toekomst te openbaren en alle uitkomsten naar zijn bevel te regelen. Immers hij roept uit, dat God niet bedriegt, noch liegt, gelijk de afgoden gewoonlijk doen; maar hij verkondigt, dat Hij de eenige oorzaak is van het goede en het kwade, terwijl hij met het kwade tegenspoed bedoeld.

En daarom als wij God niet van zijnen troon willen rukken, moeten wij Hem evengoed zijne macht als zijne voorwetenschap in het handelen laten behouden. En deze plaats verdient daarom te meer opmerking, omdat door alle eeuwen heen vele windmakers getracht hebben aan God de helft van zijne eer te ontnemen. Ook tegenwoordig (gelijk ik reeds gezegd heb) scheppen vele wijsgeeren vermaak in datzelfde ver-

Sluiten