Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den heiligen man is geweest, wijl zijn gemoed dertien jaren lang door zulk eene verbazende zorg is gekweld. Bovendien was het stilzwijgen voor hem eene zwaardere kwelling, daar hij genoopt werd de droefheid, die hij kreeg, stil te verdragen. Maar het toppunt van alle kwaad was de beproeving, die hem drukte, als zou Gods belofte vergeefs en ijdel zijn geweest. Geene hoop toch bleef hem over, dan het beloofde zaad, en thuis zag hij, dat hij duivels kweekte, van wien de zegening evenmin te verwachten was als het leven uit den dood. Jozef beschouwde hij als gestorven. Benjamin alleen bleef hem dus over, die nog zuiver was. Hoe toch zou uit zulk een zondig zaad het heil der wereld voortkomen? Hij moest dus met groote standvastigheid zijn toegerust, dat hij niet ophield, op Gods woord te steunen, en dat hij in de vaste overtuiging, dat hij in zijn huis de Kerk bewaarde, waarvan bijna geen zweem meer overig was, zijne zonen bleef verdragen, totdat zij zich bekeerden. Dit voorbeeld nu moeten de geloovigen op zichzelven toepassen, opdat niet door de vreeselijke verwoesting, die bijna overal wordt gezien, hunne gemoederen wankelen.

35. Toen zij hunne zakken openden. Hier blijkt andermaal; hoe groot hun schrik is geveest op den weg, daar niet elk ten minste zijnen zak heeft nagezocht, nadat in één het geld was gevonden. Maar deze dingen zijn beschrever, opdat wij zouden weten, dat zoodra de menschen verslagen zijn van vrees, er zelfs geen korreltje beleid en gezond verstand overblijft, totdat de Heere hen doet bedaren. Voorts gedroeg Jozef zich hierin niet bedachtzaam genoeg, dat hij zijnen vader stof gaf tot de grootste smart, schoon hij van zins was hem in zijn gebrék tegemoet te komen. En daaruit leeren wij, dat zelfs de verstandigsten niet altoos verhoeden, dat uit hunne daden iets ontstaat, dat zij niet willen.

36. Gij hebt mij beroofd. Wel verwijt Jacob niet openlijk aan zijne zonen de misdaad van broedermoord, maar toch is hij even toornig, alsof zij na twee zonen te hebben weggeroofd, zich reeds haasten om den derden in het verderf te storten. Immers hij zegt, dat al deze rampen op hem alleen neerkomen, van meening zijnde, dat zij niet waren bedroefd, gelijk het betaamde, en zij niet in zijne smart deelden, maar kalm deri spot dreven met het verderf hunner broeders, alsof het leven van deze hen niet aanging. Dat nu Ruben zijne twee zonen zijnen vader

Sluiten