Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Maar Israël zeide: Waarom hebt gij mij ongelukkig gemaakt, door dien man te vertellen, dat gij nog een broeder hadt.

7. En zij zeiden : Die man ondervroeg streng naar ons en onze bloedverwanten, zeggende : leeft uw vader nog ? hebt gij nog een broeder ? en wij hebben hem verteld overeenkomstig die woorden. Wisten wij dan, dat hij zou zeggen : „doet uwen broeder afkomen ?"

8. Toen zeide Juda tot Israël, zijnen vader : Zend den knaap met mij, en wij zullen ons opmaken, en vertrekken, en leven, en noch wij, noch gij, noch onze kinderen zullen sterven.

9. Ik sta borg voor hem, van mijne hand zult gij hem eischen, zoo ik hem niet terugbreng tot u, en hem voor u plaats, zal ik voor u schuldig staan aan straf te allen dage.

10. Want zoo wij niet getalmd hadden, zekerlijk wij zouden nu reeds tweemaal teruggekeerd zijn.

11. En Israël, hun vader, zeide tot hen : Als het zoo moet wezen, doet het dan, en neemt van de beste vruchten des lands in uwe zakken, en brengt den man een geschenk, een weinig hars, en een weinig honig, specerijen en mirre, noten en amandelen

12. Ook zult gij dubbel geld nemen in uwe handen, en het geld, dat in den mond uwer zakken is gelegd, zult gij wederom in uwe hand nemen, voor het geval dat er eene vergissing in het spel is.

13. En neemt uwen broeder, en maakt u op, en keert weder tot den man.

14. God de Almachtige nu geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man, en hij late uwen anderen broeder met u gaan, en Benjamin. Wat mij aangaat, als ik beroofd ben, zoo ben ik beroofd.

15. En de mannen namen dat geschenk, en zij namen dubbel geld in hunne hand, en Benjamin, en maakten zich op, en togen af naar Egypte, en stonden voor het aangezicht van Jozef.

16. En Jozef zag Benjamin bij hen, en zeide tot den opzichter over zijn huis, breng de mannen in huis, en

II

23

Sluiten