Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schakelt hij vele leugens aaneen, en ontleent hij aan het volk deze valsche meening dat hij aan tooverij doet. En daaruit besluiten wij, hoe licht men in tal van zonden valt, als men eenmaal van den rechten weg is afgegleden.

En daarom moeten wij, door dit voorbeeld gewaarschuwd, leeren, ons niets te veroorlooven, dan wat wij weten dat door God wordt goedgekeurd. Voornamelijk echter hebben wij ons te wachten voor alle veinzerij, die of schadelijk bedrog voortbrengt, óf dit bevestigt. Voorts worden wij vermaand, dat niemand zich moet vergenoegen met voor eenen tijd zich tegen eene opkomende zonde te verzetten, maar dat er standvastigheid moet bijkomen in het bestrijden der zonde hoezeer zij ook de perken te buiten gaat. Want hij die eenmaal verklaard heeft, dat hem het kwade mishaagt, en daarna door zijn stilzwijgen oogluikend eenig teeken geeft van goedkeuring, maakt er zich al te gemakkelijk af.

7. En zij zeiden tot hem. Zonder aarzelen verontschuldigen Jacobs zonen zich, want een goed geweten gaf hun vertrouwen. Ook voeren zij een bewijsgrond aan door het mindere uit het meerdere af te leiden, en te beweren, dat zij hunne goede trouw getoond hebben, door uit eigen beweging het geld terug te brengen, dat zij straffeloos tot hun voordeel hadden kunnen aanwenden, Het verdiende dus geloof, dat zij zich niet door eene kleine winst hadden laten verblinden, om zich de hoogste schande en oogenblikkelijk levensgevaar op den hals te halen. En daarom ten bewijze hoezeer zij bereid waren straf te ondergaan, zoo zij op diefstal werden betrapt, verhaalt Mozes, dat zoodra de beker in den zak van Benjamin werd gevonden, zij geene klachten hebben aangeheven, maar alleen hunne kleederen hebben gescheurd, en de bitterste droefheid hebben aan den dag gelegd. Ook twijfel ik er niet aan, of zij zijn door het onverwachte der zaak geheel verstomd. Want niet alleen de grootheid der smart maakte hen verschrikt, maar het zien hunner strafschuldigheid, hoewel zij zich van geen kwaad bewust waren. Zoodra zij voor Jozefs aangezicht gekomen waren, bekennen zij daarom schuld. Niet dat zij de hun ten laste gelegde misdaad erkenden, maar omdat zij met verontschuldigen niets verder kwamen, wilden zij als het ware zeggen : in eene zaak, die duidelijk is, baat het niet, tegen te spartelen.

In dit besef zeggen zij, dat hunne ongerechtigheid door God is bezocht, want hoewel zij eenig duister vermoeden

Sluiten