Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hen, door hunne schande niet te vermelden, maar schoon hij met hen apart was, onthield hij zich van alle bittere woorden, en verwaardigde hen uit eigen beweging met eene vriendelijke vertroosting.

3. Ik ben Jozef. Hoewel hij een duidelijk teeken van zijne vriendelijkheid en liefde had gegeven, zoo schrikken toch zijne broederen, zoodra hij zijnen naam openbaart, even hard, alsof hij hen met den bliksem trof. Immers als zij bij zichzelven overwegen, wat zij verdiend hebben, vreezen zij zoozeer Jozefs macht, dat zij zich niets voorstellen dan den dood. Zoodra hij hen echter zoo verpletterd van vrees ziet worden, doet hij hun geen enkel verwijt, maar geeft zich alleen moeite, om hunne ontsteltenis te doen bedaren, ja hij liefkoost hen zoolang, totdat hij hen gerust en vroolijk heeft doen worden. Uit dit voorbeeld nu leeren wij, dat wij hebben toe te zien, dat zij die waarlijk en met oprecht schaamtegevoel zich hebben vernederd, niet door droefheid worden overstelpt. Zoolang de zondaar doof is voor berispingen, of rustig zichzelven vleit, of goddeloos en hardnekkig de vermaningen afwijst, of door veinzerij zich verontschuldigt, moet grootere strengheid worden aangewend

Doch de hardheid moet een einde nemen, zoodra hij verpletterd terneder ligt, en de kennis der zonde hem verontrust. Alsdan moet gematigdheid volgen, om door de hoop op vergiffenis den uitgeworpene op te beuren. Zal dus de strengheid zuiver en passend zijn, dan hebben wij deze gemoedstemming van Jozef tot de onze te maken, eene stemming die ter rechter tijd zich naar buiten openbaart.

4. Nadert toch tot mij. Dit is sterker dan alle woorden, dat hij hen vriendelijk uitnoodigt, hem te omhelzen. Tevens ontneemt hij hen met alle morgelijke zachte woorden bezorgdheid en vrees. Wel matigt hij aldus zijne taal, zoodat hij hen bescheiden aanklaagt en wederom troost, maar toch de vertroosting gaat deze verre te boven, omdat hij zag, dat zij der wanhoop nabij waren, zoo hij niet bijtijds ter hulpe kwam. Als hij nu in herinnering brengt, dat hij werd verkocht, verlevendigt hij niet de gedachte aan die misdaad met het doel om hun die te verwijten, maar omdat het nuttig is, dat het zondebesef aanwezig blijft, zoo maar geene onmatige angst den ongelukkigen mensch na zijne schuldbelijdenis verteert'.

Wijl nu Jozefs broeders meer dan genoegzaam verschrikt

Sluiten