Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koren om zijne hroeders te helpen. En daardoor komt het, dat hij niet alleen hun de beleediging vergaf, maar begeerig, om de hem opgelegde taak te volvoeren, hen niet alleen van vrees en angst, maar ook van gebrek bevrijdt.

Dit is de reden, waarom hij verzekert, dat hij bestemd was, om hen tot een overblijfsel te stellen, d. i hun zaad te bewaren, of liever hen zelf bij het leven te behouden, en dat door eene schitterende en wonderlijke verlossing.

Als hij zegt, dat hij een vader is voor Pharao, wordt hij niet bezield door ijdele trots, gelijk ijdele menschen gewoonlijk ; ook vertoont hij niet in opgeblazenheid zijne macht; maar uit een zoo schitterend en ongelooflijk feit bewijst hij, dat het niet door toeval of menschelijk toedoen gekomen is, dat hij die plaats heeft verkregen, maar veeleer door Gods wonderlijk beleid hem dezen hoogen troon is opgericht, om vandaar zijn en vader en diens geheele gezin te hulp te komen.

9. Alzoo zegt Jozef, uw zoon. In dit bevel toont hij, dat hij daarom boogt op zijne macht, opdat hij des te beter zijnen vader vertrouwen zou inboezemen. Immers wij weten, hoe traag grijsaards zijn. Bovendien was het ook moeielijk om Jacob weg te rukken van de hem van Godswege beloofde erfenis. Daarom stelt Jozef hem de noodzakelijkheid voor oogen, en zegt hem, welk een begeerlijken steun de Heere hem aanbiedt. Toch vraagt men, hoe het komt dat de Godspraak hun niet in de gedachten kwam, aangaande welke zij door hunne vaderen waren onderricht, n.1. dat zij gasten en knechten zouden zijn in een vreemd land. (Gen 15 vs. 13). Immers Jozef schijnt hier enkel genot te beloven, alsof zij in de toekomst geen kwaad hadden te vreezen. Al wordt' echter niets daarvan door Mozes uitgedrukt, toch heb ik voldoenden grond om te gelooven, dat Jacob de Godspraak niet uit zijne gedachten heeft laten gaan. Want zoo hij niet door een hemelschen band was weerhouden, zou hij nooit na het verstrijken van den tijd des hongers in Egypte zijn gebleven. Want door uit eigen beweging daar te blijven, scheen hij de hoop op de van God beloofde erfenis op te geven. Dat hij niet zorgt, om naar het land Kanaan terug te keeren, maar alleen beveelt, dat zijn lijk daarheen moest overgebracht worden, en hij ook zijne zonen niet aanmaant tot eenen spoedigen terugkeer, maar hen in Egypte laat blijven, doet hij niet uit nalatigheid, of omdat hij bekoord

Sluiten