Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij herders waren. Men vvachte zich dus dat geen ijdele eerzucht ons vervoere, waar de Heere geene andere wijze van behoudenis ons aanwijst dan door onderdanigheid.

Laten wij dus gaarne voor een tijd onaanzienlijk zijn, opdat de Engelen ons straks opnemen in de gemeenschap hunner eeuwige heerlijkheid. Ook worden zij, die opgevoed zijn in lage werkkringen, door dit voorbeeld vermaand, dat zij geene reden hebben, om zich voor hun lot te schamen.

Immers het moet hun meer dan voldoende zijn, dat hunne leefwijze wettig en Gode aangenaam is. Ook hunne andere verklaring, dat zij gekomen zijn na door den honger tot reizen te zijn gedrongen, is niet vrij van schaamtegevoel. Toch vloeide daaruit geene reden tot schaamte voort. Want dat zij weinig in getal en hongerig afkomen en dat zij vervolgens door schande zijn gebrandmerkt, zoodat haast niemand zich verwaardigde hen toe te spreken, uit die duisternis komt thans Gods heerlijkheid des te schitterender te voorschijn, daar Hij op wonderlijke wijze een groot volk uit hun derde geslacht heeft doen voortkomen.

5. En Pharao zeide tot Jozef. Dat Pharao zich niet beleedigd gevoelde, toen zij begeerden, dat hun eene plaats zou worden geschonken om daar als vreemdeling te verkeeren, is toe te schrijven aan de genade Gods. Wij weten immers, dat koningen niets slechter kunnen verdragen, dan dat hunne weldaden worden versmaad. Eene blijvende woonplaats biedt Pharao hun aan, maar zij stellen het weggaan hooger. Schrijft iemand dit soms toe aan bedeesdheid, omdat het trotsch zou geweest zijn het burgerrecht te vragen, daarvoor is wel iets te zeggen, maar toch heeft het geen grond. Want als zij verzoeken om als gasten en vreemdelingen te worden toegelaten, zijn zij bijtijds op hunne hoede, dat Pharao hen niet in slavernij zou klinken. Bekend is het vers van Sophocles :

„Al wie tot een tyran gaat is diens slaaf, al komt hij nog zoo vrij."

't Was dus van belang voor Jacobs zonen, om aanstonds bij de aankomst te verklaren, op welke voorwaarde zij in Egypte verlangden te wonen. Daarom was de wreedheid des te minder te verontschuldigen, toen zij tegen deze overeenkomst in zoo hard werden onderdrukt, en hun den uittocht niet werd toegestaan, dien zij uitdrukkelijk te voren hadden bedongen.

Wel zegt Jesaja, dat de koning van Egypte hierin eenig

Sluiten