Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij ten minste daarin heeft gezondigd, dat hij niet beslist genoeg weerstand heeft geboden aan de bijgeloovigheden.

Wijl echter zijne taak hem niet was opgelegd, onder voorwaarde dat hij de priesters van honger zou laten omkomen, en hij het koren des konings niet geheel naar zijnen wil mocht uitdeelen, zoo was hij, wijl de koning om niet den priesters spijs wilde geven, evenmin vrij om het aan hen te weigeren, als aan de aanzienlijken van het hof. Hij onderhield dus zulke gasten niet gaarne, maar wijl de koning hem tegen zijnen zin dit werk opdrong, kon hij het niet afwijzen, ook al wist hij dat zij zelfs geen koeienmest verdienden te eten.

23. En Jozef zeide tot het volk. Hier wordt door Mozes Jozefs bijzondere wijsheid beschreven, die niet alleen destijds alle klachten bedwong, maar ook heden ten dage met recht alle rechtsverdraaiingen ontzenuwt en weerlegt; ontbloote en als het ware voortvluchtige menschen herstelde hij in hun bezit onder de meest billijke voorwaarde, dat zij het vijfde deel van hunne jaarlijksche inkomsten aan den koning zouden betalen. Het is bekend, dat oudtijds koningen overal het recht hadden, om tienden te heffen, maar in oorlogstijd verdubbelden zij die belasting. Hoe zullen wij dan zeggen, dat den Egyptenaren eenig onrecht is aangedaan, doordat Jozef de door zijnen koning gekochte akkers met het vijfde deel van de inkomst bezwaarde. Inzonderheid, wijl die streek veel vruchtbaarder was, zoodat ze den bewoners met geringere moeite dan elders, vruchten tot voeding verschafte.

Werpt iemand mij tegen, dat het meer eene inheemsche gewoonte geweest is, om het vijfde deel voor den koning te vorderen dan ligt de verklaring voor de hand, dat dit niet alleen nuttig is geweest tot een voorbeeld, maar ook tot de rust des volks, om de lastigen den mond te snoeren. De maatregel, waardoor Jozef de belasting van een vijfde deel ingang deed vinden, had ten minste geen ander nevendoel, dan dat de Egyptenaren hunne akkers spoediger zouden gaan bebouwen, in de overtuiging, dat zij met dergelijke overeenkomst genadig werden behandeld. En aldus was hetgeen Mozes mededeelt, hunne gulle bekentenis. Ten eerste erkennen zij ten minste, dat zij hem het leven verschuldigd zijn, en ten tweede weigeren zij niet des konings knechten te zijn. En daaruit besluiten wij, dat de vrome man aldus heeft gehandeld als tusschenpersoon,

Sluiten