Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Toen ik nu uit Padan kwam, is mij Rachel door den dood ontvallen, in hèt land Kanaan op den weg, op een kleine streek afstands van Efrath, en ik heb haar begraven op den weg van Efrath dat is Bethlehem.

8. En Israël zag de zonen van Jozef en zeide wiens zijn deze ?

9. En Jozef zeide tot zijn vader, dit zijn mijne zonen, die God mij hier gegeven heeft En hij zeide: Breng ze toch bij mij, en ik zal hen zegenen.

10. (Want Israëls oogen waren zwaar van wege den ouderdom, en hij kon niet zien) en hij deed hen tot zich naderen, en kuste ze, en omhelsde hen.

11. En Israël zeide tot Jozef: Ik meende uw aangezicht niet meer te zien, en zie God deed mij ook uw zaad aanschouwen.

12. Derhalve nam Jozef hèn van zijne knieën, en neigde zich met het geltat ter aarde.

13. En Jozef nam hen ■'beiden, Efraim aan zijn rechterzijde ter linkerzijde van Israël en Manasse aan zijne

„linkerzijde ter rechterzijde van Israël, alzoo deed hij hen tot hem naderen.

14. En Israël strekte zijne rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, die de jongste was, en zijn linkeihand op het hoofd van Manasse, met opzet zijne handen besturende, hoewel Manasse de oudste was.

1 o. En hij zegende Jo£ef en zeide, God voor wiens aangezicht mijne vaderen Abraham en Izaak hebben gewandeld, God, Die mij geleid heeft van mijne jeugd tot op dezen dag.

16. De Engel, Die mij van alle kwaad heeft verlost, zegene de jongens, en mijn naam worde in hen genoemd, en de naam van mijne vaderen Abraham en Izaak, en dat zij gelijk de visschen in menigte zijn, midden in het land.

17. Jozef nu zag, dat zijn vader zijne rechterhand legde op het hoofd van Efraim, en dit was kwaad in zijne oogen, en hij nam de hand zijns vaders op, om die van Efraims hoofd af te wenden, op het hoofd van

• Manasse,

Sluiten