Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijls Satan ons dus door de verlokselen der wereld tracht te verstrikken om ons van den hemel af te houden, moeten wij ons in het geheugen roepen, waartoe wij geroepen zijn, opdat tegenover den onwaardeerbaren schat des eeuwigen levens, al het andere, dat voor het vleesch begeerlijk is, in het niet verzinke.

Want als oudtijds de vrome Jozef zooveel eer bewees aan een duister gezicht, dat hij alleen door de gedachte hieraan Egypte vergat en gaarne overging tot de verachte schare der Kerk, hoe schandelijk is dan heden onze dwaasheid, hoe slecht onze gevoelloosheid, hoe afschuwelijk onze ondankbaarheid, dat wij niet minstens even sterk worden bewogen, als de hemelsche Vader ons nu door de geopende deur van Zijn rijk, meer dan lieflijk noodigt ? Men merke echter tevens op, dat de vrome Jacob geene ijdele inbeeldingen opwerpt, om daarmee zijnen zoon te lokken, maar dat hij spreekt van de zekere belofte Gods, waarop hij zich veilig kan verlaten. En daaruit leeren wij, dat het geloof geen anderen vasten grond heeft dan alleen het Woord van God, en deze steun was hem ook genoegzaam zeker, om nooit te wankelen, door welke aanslagen hij ook werd bedreigd. En daarom moeten wij leeren om zoo dikwijls Satan ons door zijne afleidingsmiddelen her- en derwaarts tracht te slingeren, onze aandacht te vestigen op het Woord van God. en zoo vast te steunen op de verborgene goederen, dat wij hetgeen ons vleesch thans ziet en zoekt te winnen, minachten. Hij zegt, dat God hem is verschenen in het land Kanaan, opdat Jozef daarnaar zou verlangen, en in de gezindheid zijns harten een vreemdeling zou worden van het Egyptische rijk.

En Hij heeft mij gezegend. Het woord zegenen te dezer plaatse beduidt niet de oogenblikkelijke uitwerking, of de schenking van een gelukkig leven. Aldus toch wordt meestal van God gezegd, dat Hij de Zijnen zegent, als Hij Zijne gunst, waarmee Hij hen verwaardigt, metterdaad betoont, zoodat het duidelijk wordt, dat dezulken gelukkig zijn, omdat zij in Zijne bescherming zijn opgenomen. Maar Jacob gevoelt zich gezegend, omdat hij de hem beloofde genade heeft omhelsd, en aan de uitwerking niet twijfelt. Derhalve vat ik hetgeen ommiddelijk volgt „Ik zal u doen toenemen" op als nadere verklaring. De Heere nu beloofde te zullen maken, dat een hoop volkeren uit hem zou voortkomen, wijl de dertien stammen, waaruit het ééne lichaam des volks bestond, als even zoovele

Sluiten