Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner vaderen niet zoo maar, noch ontijdig in het midden brengt, daar zonder dit geloof Jacob geen wettige opvolger zou geweest zijn van de verbondsgenade Gods. Niet dat Abram en Izaak voor zich en hunne nakomelingen zoo groote eer verwierven, of door zichzelven zoozeer uitmunten, maar wijl de Heere door het geloof de weldaden, die Hij ons belooft, bevestigt en verzegelt, opdat zij niet uitgewischt worden.

God heeft mij behoed. Nu daalt Jacob af tot zijn eigen gevoelen, dat hij namelijk van der jeugd af op onderscheidene wijzen, onophoudelijk Gods gunst jegens zich heeft ervaren. Zooeven heeft hij zijne zegening gegrond op de kennis Gods, geput uit Zijn woord en het geloof der vaderen. Thans voegt hij daarbij eene andere bevestiging uit eigene ervaring, alsof hij zeide, dat hij niet met eenen ijdelen klank van woorden de zegening uitstootte, maar dat hij de vrucht daarvan in zijn geheele leven had ervaren. Al doet God dus zijn zon opgaan over goeden en boozen zonder onderscheid en al behoedt hij ongeloovigen evenzeer als geloovigen, wijl hij alleen aan de zijnen het bijzonder gevoel van zijne vaderlijke liefde in het gebruik zijner gaven geeft, zoo gebruikt Jacob met recht dezen grond, tot bevestiging zijns geloofs, dat hij steeds door de hulp Gods was beschermd. De ongeloovigen worden mild door God gevoed, ja vetgemest, maar zij geven zich daaraan over als zwijnen, die al vallen de eikels van de boomen, toch hun snuit'naar den grond gericht houden. Maar dit is in Gods weldaden het voornaamste, dat ze ons tot bewijzen of onderpanden zijn van zijne vaderlijke liefde jegens ons. Het vloeit dus voort uit een godvruchtig besef, waarmee de kinderen Gods zijn begiftigd, dat Jacob alle goed, dat God over hem had uitgestort, aanvaardt als bewijs van de beloofde genade. Het is alsof hij zeide, dat hij tot een duidelijk voorbeeld strekte, hoe waarachtig en trouw de Heere zijn verbond hield, waarin Hij had beloofd, dat hij Abrahams kinderen tot een vader zou zijn. Laten wij ook hieruit leeren, om alle weldaden, die wij uit Gods hand ontvangen, goed te beoordeelen en te overdenken, opdat zij ons telkens tot hulpmiddelen mogen zijn, om ons geloof te bevestigen.

De beste manier om God te zoeken is deze, dat wij beginnen met zijn Woord. Later komt de proefondervindelijke kennis (om zoo te zeggen) er bij Ofschoon hier nu eene niet alleda^gsche dankbaarheid des vromen mans uitblinkt, zoo wordt

Sluiten