Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijl wij nu door deze woorden vermaand worden, dat het eigenlijk Christus taak is, om ons te beschermen, en uit alle rampen uit te rukken, zoo hebben wij toe te .zien, dat geene onheilige vergetelheid deze genade voor ons verborgen houde. Ja zelfs naar mate ons duidelijker genade is geschonken dan oudtijds aan de vromen onder de wet, sinds Christus het openlijk uitsprak, dat de geloovigen Hem ter bewaring gegeven waren, opdat niemand van hen zou verloren gaan (Joh. 17 vs. 12), naar die mate moet zij des te meer kracht doen in onze harten. Niet alleen, opdat zij door ons met den haar toekomenden lof grootelijks zou verheerlijkt worden, maar ook opdat zij ons zou aansporen tot het zoeken van de bescherming van onzen besten bewaker. Dit toch is voor ons alleszins noodzakelijk. Want als wij overwegen, hoevele gevaren ons omringen, gaat er haast geen dag voorbij, of wij worden uit duizend dooden gerukt. Vanwaar komt dit anders, dan doordat Gods Zoon zorg , voor ons draagt, Die uit de hand des vaders de taak om ons te beschepmen heeft aangenomen ? '

16. E11 in Inn aal mijn naam genoemd worder.. Dit is het teeken van de aanneming tot kinderen, waarvan boven melding is gemaakt. Immers hij legt zijn naam op hen, opdat zij eene plaats zouden verkrijgen onder de aartsvaderen.

Want de Hebreeuwsche uitdrukking heeft geene andere beteekenis, dan gerekend te worden iemands naam te dragen. Aldus zegt men, dat de naam des mans wordt genoemd over de vrouw (Jes. 4 vs. 1), wijl de vrouw haren naam ontleent aan het hoofd, waaronder zij staat. Daarom is de onkunde der pauselijken des te belachelijker, wijl zij hiermee bewijzen, dat de dooden in de gebeden moeten aangeroepen worden. Jacob, zoo zeggen zij,.wil na zijn dood door zijne nakomelingen aangeroepen worden. Jacob zou dus zeggen dat hij op het gebed hen zou helpen en niet dat Efraim en Manasse tot patriarchen moeten gerekend worden, zoodat zij twee stammen uitmaakten onder het heilige volk. Het is echter verwonderlijk, dat de Pauselijken, hoewel zij onder, dit voorwendsel zich ontelbare beschermers gemaakt hebben, toch Abraham, Izaak en Jacob als onwaardigen zijn voorbijgegaan.

Doch met deze verblindheid heeft de Heere wraak genomen voor de goddelooze ontheiliging van zijnen Naam. Wat Jacob hieraan toevoegt in den volgenden zin „opdat ze in menigte

Sluiten