Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal vernieuwen (Amos 9 vs. 11). Nu zou het ongerijmd zijn nog meer plaatsen aan te halen. Deze leer wordt overal bij de profeten gevonden. Hieruit besluiten wij dat de heerschappij niet zoo vast heeft gestaan, dat zij steeds met gelijken glans uitblonk, maar dat zij voor een tijd vervallen en ontsierd is geweest, en later den verlorenen glans herkreeg. Wel schijnen de profeten den terugkeer uit de Babylonische ballingschap te beschouwen als het einde van de verwoesting der heerschappij. Doch wijl ze de vernieuwing der heerschappij tegelijk met die van den tempel en van het priesterschap beloven, hebben wij, opdat de geheele waarheid voor ons vast sta, noodzakelijk den geheelen tijd van de bevrijding tot op de komst van Christus daaronder te verstaan. Niet voor één dag slechts, noch in één hoofd, maar gedurende langen tijd en op onderscheidene wijzen is de kroon dus vernietigd, totdat God haar gaf aan Christus, den wettigen Koning. Ook Jesaja beschrijft den oorsprong van Christus, als geheel vreemd aan allen koninklijken luister, als hij zegt: Er zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een scheut zal uit zijne wortelen te voorschijn komen. (Jes. 11 vs. 1.) Waarom noemt hij hier Isai in plaats van David ? Omdat de Messias uit de herdershut van een onbekend man zou voortkomen in plaats van uit een prachtig paleis. Waarom spreekt hij van een omgehouwen boom, en laat hij niets daarvan overblijven, dan een tronk en wortelen ? Omdat tot op Christus komst de Majesteit der heerschappij bijna met de voeten zou worden vertreden. Zegt iemand soms, dat Jacobs woorden anders luiden, het antwoord ligt voor de hand, want al wat God ooit beloofde aangaande den uitwendigen staat der kerk, moet zoo beperkt worden opgevat, dat Hij intusschen toch zijne oordeelen volvoert, tot bestraffing van de zonden der menschen, en tot beproeving van het geloof der zijnen.

Wel was deze beproeving niet gering, dat de stam van Juda reeds bij den derden opvolger op den troon werd beroofd van het grootste deel der heerschappij. Ja eene nog zwaardere beproeving is gevolgd, toen de zonen des konings voor het oog huns vaders zijn gedood, toen hemzelven de oogen zijn uitgegraven, en hij naar Babyion is gevoerd, en het geheele koninklijke geslacht ten slotte in ballingschap en slavernij is weggezonken. Maar de allerzwaarste beproeving II 29

Sluiten