Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was deze, dat het naar zijn land teruggekeerde volk volstrekt niet lette op de belofte waarop het had gehoopt, en in zijne droevige verdeeldheid bleef liggen. Maar de vromen hebben destijds met de oogen des geloofs den schepter gezien, schoon deze in de aarde verborgen lag, en zijn niet bezweken, noch wankelmoedig geworden, zoodat zij hunnen loop staakten.

Misschien heb ik den schijn, dat ik te veel toegeef aan de Joden, omdat ik den voortduur van de werkelijke heerschappij in de stam van Juda niet aanneem. De onzen toch leggen hierop den nadruk, om de Joden, die nog dwazelijk den Messias verwachten, te overtuigen, dat sinds den tijd van Herodes die heerschappij heeft opgehouden, waarvan Jacob had geprofeteerd. Alsof zij dus niet vijfhonderd jaren te voren reeds schatplichtig zijn geweest; alsof ook de waardigheid van het koninklijke huis niet is uitgebluscht, zoolang de tyrannie van Antiochus voortduurde. Alsof ten laatste de Hasmoneƫrs zich niet hebben meester gemaakt van den eeretitel en de macht, totdat de Joden een deel werden van het Romeinsche gebied.

Ook is de verklaring niet voldoende, dat de heerschappij en eene geringe regeeringsvorm afzonderlijk worden beloofd, en dat sinds het oogenblik, dat de heerschappij werd verwoest, de wetgevers zijn overgebleven. Want ik stem toe, dat om het onderscheid te laten uitkomen tusschen eene wettige regeering en de tyrannie, hiermede raadsheeren zijn bedoeld, door welke het algemeen belang behoorlijk en ordelijk werd voorgestaan. De verklaring van enkele Joden, dat het recht om te regeeren hier wordt toegekend aan den stam van Juda, omdat het ongeoorloofd was, dat die aan een ander werd overgedragen, maar niet omdat de eenmaal verkregene heerlijkheid der kroon blijvend moest voortduren, meen ik dus eenigermate ook als mijn gevoelen te moeten onderschrijven. Ik zeg echter, eenigermate. Want met deze uitvlucht komen de Joden niets verder, als zij op deze manier den sinds lang bestaanden ondergang der heerschappij als bewijs aanvoeren voor het verzinsel, dat de Messias nog zal komen. Men herinnere zich wat ik vroeger heb gezegd, dat Jacob het hart der zijnen willende ondersteunen tot op de komst van den Messias, opdat zij niet verdrietig over het lange vertoef de hoop zouden opgeven, hun in de tijdelijke heerschappij een teeken voor oogen stelt.

Sluiten