Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iVTrtrt

17. — „Heb je ze gezien en gesproken? En kent zij haar vader niet?

En zij draagt een hoed met een pluime: Men vindt er nooit schoonder als zij."

18. — „Draagt zij een hoed met een pluime? En vindt men nooit schoonder als zij ? En ik wil ze nog zien en spreken,

Maar 't zal kosten haar eigen lijf."

19. Hij heeft op zijn stalknecht geropen: „Komt en legt er een za&l op mijn peerd! Ja dat ik naar 't leger mag rijden :

't Is mij een mooi rijdertje weerd."

2 o. Binnen 't leger daar kwam hij gereden,

Binnen 't leger daar kwam hij gegaan, En daar vond hij zen dochter Machrietje Bij al de soldaten staan.

21. — „Goeien dag," zeide hij, „mooi meisje, En ik wensch je den goeden dag.

En wuk maakt gij bij al de soldaten? Ze slapen up haveren kaf."

22. — „Om up haveren kaf te slapen,

Dat en doet er mij al geen verdriet,

Want ik slaap in mijn zoeteliefs armen : 'k En achte den kapitein niet." i

23. Wat trok hij uit zijn scheede?

Eenen dengel: 't was staal en het sneed; En dat stak hij twers door haar jpng herte, Dat zij op de aarde bezweek.

24. Wat trok hij uit haar herte?

Eenen dengel die rood was van bloed; En dat stak hij al weer in zijn scheede Met een zeer kloekig gemoed.

lepersch Oud-liedboek.

Sluiten