Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. Ze hen Heere Jezus geslegen,

Ze henden geslegen met roeien zoo stijf,

Dat de bloeisels vanne de roeien, — ja roeien,

Dat ze al prentten in Heere Jezus zen lijf.

12. Maria en Sint-Djosep,

En ze kwamen daar bijgegaan:

„Och, laat mijn lief zoontje toch gaan!

En hang mij ane den kruiseboom, — ja kruiseboom,

En laat mijn lief zoontje toch gaan!"

13. — ,,'kEn hange joun aan den kruiseboom niet,

Noch 'k en late je zoontje niet gaan;

En je zoontje die moe sterven, — ja sterven,

Want den Goeden Vrijdag komt aan:

Maria, gij moet deuregaan !"

14. Maria en Sint-Djosep ,

En ze droomden daar eenen droom:

Dat Maria's blauwe mantele, — ja mantele,

Lag onder den palmeboom.

15. De blaadjes waren groene Enne de takjes waren lang.

En toen trok er Maria al en Sint-Jan, — al en Sint-Jan,

Te samen naar 't Heilig Land.

Maria met haren blauw mantele, — ja mantele,

En Sint-Djosep met zijn blauw kleed:

Ze vaarden te samen over de zee.

Sluiten