Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Den boozen vijand keek zoo wreed op mij, Hij beet zoo wreedelijk op zijn tanden, Dat al de menschen schudden en beev'n, Die moên passeeren al door zijn klauwen.

13. Sin te Barbara, die overschoone maagd,

Zij is den toevlucht der zondaren:

Zij heeftere zoo menigten mensch verlost, Die in de hel hadde moeten branden.

14. Daar zijn drij dingen die mijn bezwaren, Die mijn jong herte kom'n te bezwaren: Het eerste bestatere in mijn gemoed,

Omdat ik weten, dat ik sterven moet;

15. Het tweede, 't bedroeft mij meer en meer, Omdat ik niet en weet wanneer, wanneer; Het derde, 't bedroeft mij meest van al; Omdat ik niet en weten, waar ik bevaren zal.

Ro - men was zij ge - bo - ren.

VAR.: 12, 2. wreedelijk] vreeselijk — 14, 1. dingen\ deelen Iepersch Oud-liedboek. 7

Sluiten