Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Maar, eilaas! zij wat voorder kwam;

Zij zag daar eenen schapewachter staan:

„Schapewachter, schapewachter, wat isser te doene, Dan de klokken luiden over noene?"

9. — „Daar is hier zoo een droefheid groot : Den Konings dochtere, en die is dood.

Ze is gestorven met de fijne perels en de goude koralen, Dat God nooit meer en zal verhalen;

Ze is gestorven met de fijne perels en de diamante steenen, Dat God nooit meer en zal verleenen."

10. — „Daar is hier zoo een glorie groot,

Dat God zal zenden den hongersnood;

Ja der zallen zoo vreeselijk menschen sterven,

Want 't koren op het land zal staan en bederven.

11. „Adieu, schapewachter, nu gaan ik voorwaar,

Nu trek ik naar het hemelsch land;

En die engelen spelen zoo schoone de muzijke: Ze ontvangen de zielen in het hemelrijke;

En die engelen spelen zoo schoone de victorie: Ze ontvangen de zielen in de hemelsche glorie."

12. Al die het liedetjen heeft gedicht,

't Is eenen engel uit het hemelsch licht;

En 't is eenen engel uit de hemelsche stede,

Met alle zijn geloovige zielen mede;

Het is eenen engel uit de hemelsche glorie,

Met alle zijn geloovige zielen schoone.

VAR.: 8, 1-2. 'kKwam laatstmaal op een bloot veld gegaan.

Daar vond ik eenen schapewachter staan:

4. over] over den —

10. „Al van de fijne perels en die hooveerdij,

Dat God nooit meer en zal voorzien.

En wat zal God doen al om de menschen te straffen ? Regen, donder en bliksemslagen.

3. Ja der] En daar — zoo vreeselijk] nog zoo wreedelijk — 4. Want V] Dat het — II, 5. victorie] trompette — 6. glorïé\ salette

Sluiten