Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. De vrouwe, ze keerdede haar omme,

En ze ginkere daar eenen gang,

Een gang ja wel alle zoo verre,

Tot ane de klare fonteine,

Totdat zij al aan heur zusters huis kwam.

7. Ze klonk daar aan de belle :

't Was haar zuster die opendeed.

„Wel, zuster," zoo zeide zij, „zustre,

Ha je, gij rijke zuster!

En heb je me toch niet een brood?

Kan je me niet helpen uit den hongersnood ?

Ik bem eene weeuwe alleene

Met zeven kinderen kleene,

En mijnen man is dood :

En heb je me toch niet een brood?

Kan je me niet helpen uit den hongersnood?"

8. — „Wel, zuster," zoo zeide zij, „zustre,

Ik en hen dere geen broodje voor u;

Zoo 'k daar meer hen als ééne,

'k Wenscht', dat 't broodje veranderde in steene En het mes al in den rooden bloed!"

9. De vrouwe, ze keerdede haar omme,

En ze ginkere daar eenen gang,

Een gang ja wel alle zoo verre,

Tot ane de klare fonteine,

Totdat zij al aan haar eigen huis kwam.

10. De man kwam thuis van jagen;

Hij ging gaan kijken in de schapra. Wat vondede hij in den beginne?

Het broodje was veranderd in steene En het mes al in den rooden bloed.

11. „Wel, vrouwe," zoo zeidede hij, „vrouwe, En wuk heb je al wederom gedaan?

7, 11. Op de wijze van vs. 10.

S*

Sluiten