Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Je hebt weere jen arme zuster,

Ja jen schamelijke zuster ,

Zonder een broodje laten deuregaan."

I2> — „Wel man," zoo zeide zij, „manne,

Ik en hen dere men zuster niet gezien.

Ik zweer hier tot mijn trouwe,

En ik bem jen eigen vrouwe:

Ik en hen dere men zuster niet gezien."

jg. — „Wel, vrouwe," zoo zeidede hij, „vrouwe, En gaat draagt er je zuster nu een brood.

Zegt, damme ze de kost zallen geven,

Al zoo lange alsdat ze zal leven,

En alle zeven haar kinderen ook:

Zegt, damme ze gaan helpen uit den hongersnood.

14. De vrouwe, ze keerdede haar omme ,

En ze ginkere daar eenen gang,

Een gang ja wel alle zoo verre,

Tot ane de klare fonteine,

Totdat zij al aan haar zusters huis kwam.

15. Ze klonk daar aan de belle:

't Was haar zuster die opendeed.

„Wel, zuster," zoo zeide zij, „zustre,

Ha je, gij schamelijke zuster!

Nên, daar issere gij nu een brood:

Me zal je helpen uit den hongersnood.

Me zal je gaap de kost geven,

Al zoo lange alsdat je zal leven,

En alle zeven jen kinderen ook:

Me zal je helpen uit den hongersnood."

j6. — „Wel, zuster," zoo zeide zij, „zustre,

Ik en hen dere geen broodje meer vandoen;

VAR.: ia, 5. Dat ik men zuster niet gezien en hen." — 13. 2. En] Ne, 15 en 18. Gezongen als str. 3.

Sluiten