Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Bruid Ader en Heer Halewijn,

Het waren twee koningenkinderen fijn;

Twee koningskindren dat zij waren:

Mallekanders trouwe dat zijder namen.

Ter hoogeschole was 't, dat zijder gingen:

Mallekanders trouwe dat zijder ontvingen.

En ze waren van zoo hooge geboren:

Zijder konden malkander noch zien noch hooren.

2. Ze konden malkander noch hooren noch zien:

Heer Halewijn die schreefde daar eenen brief, Een brievetje, 't was wel geschreven:

't Was om naar zen lief, Bruid Ader, te geven.

3. Hij ging vóór zijn vrouw moeder staan:

„Vrouw moeder, naar 't Heilig Land zou 'k ik geren gaan, Naar 't Heilig Land zou 'k geren rijden.

Geef mij uren en stonden om weg te rijden."

4. — „Zeven jaar lang, Heer Halewijn ,

Het zou der mij denken korten tijd te zijn,

Het zou der mij denken korten tijd te wezen,

Om met uwen Bruid Ader alleene te wezen."

5. Hij ging vóór zijn Bruid Ader staan:

„Bruid Ader, naar 't Heilig Land zou 'k ik geren gaan , Naar 't Heilig Land zou 'k geren rijden.

Geef mij uren en stonden om weg te rijden."

VAR.: l, 4. zij der namen] zij vernamen

1. Dit lied in strophen in te deelen was geen gemakkelijke taak, en men mocht zich de vraag stellen of het wel den strophenvorm vertoonde. Na onderzoek bleek, dat er mogelijkheid bestond een indeeling in strophen te doen. De strophe is eigenlijk van vier verzen, gezongen als vs. 1-4 van str. 1; waar ze langer is, wordt ieder paar verzen, dat er bij komt, gezongen op de wijze van vs. 3-4 van str. 1; maar natuurlijk blijven, bij dat voortdurend aanpassen van een zelfde muzikale phrase aan regels van ongelijke lengte, meer of min ingrijpende veranderingen niet uit. — 3. 1 , enz. Men zingt telkens grootmoeder in plaats van vrouw moeder.

Sluiten