Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

? : i" - M"' ' 1 ■' H

hoo - ren, ze wil-len 't zien. 'k Heb het van een rijk

|-f #,i * ; ' > rr ? :\ is v~n

ko - nings-kind , Die naar zen va - der te ra - de ging.

1. Mooi Amberecht schreef een brievetje fijn :

Al die het hooren, ze willen 't zien.

'k Heb het van een rijk koningskind,

Die naar zen vader te rade ging.

2. Ze ging al vóór haar vader staan :

„Vader, mag ik wel spelen gaan?

Mag ik wel met Mooi Amberecht gaan ?

Mooi Amberecht, dienen fraaien knecht,

Die al zal doen, 't gonne dat ik hem zeg ?"

3. — „Och neen, mijn dochter, en ga daar niet: Al die daar gaan, en ze keeren niet,

Al die daar gaan, en ze blijven daar;

Mooi Amberecht zou je kunnen het hoofd ofslaan."

4- — „Och, vader, 'k hen hope van weere te keeren, Zoo blieft het God en Onzen Heere;

Zoo blieft het God, en het zal wel gaan:

'k Zal zelve Mooi Amberecht zen hoofd ofslaan."

Var.: i, 3. rijk] jong —

2-4. Al die het hoorden, ze wilden 't zien.

't Was van een rijk rijk koningskind,

Die dikmaal op haar vaders slaapkamer ging.

3, 2. spelen gaan] medegaan — 3. me/\ naar — 4. dienen] is zukken — 3, 4. je kunnen het] jen — 4, 2 en 3. Zoo blieft het God] Als 't God blieft

2, 5. Waar er een vijfde vers is, wordt dit gezongen op de wijze van vs. 4.

Sluiten