Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Ze ging al vóór haar moeder staan:

„Moeder, mag ik, enz.

5-13. (Zelfde onthaal bij moeder, broere en zuster).

14. Ze ging al vóór den schipperman staan:

„Schipperman, mag ik wel spelen gaan?

Mag ik wel met Mooi Amberecht gaan?

Mooi Amberecht, dienen fraaien knecht,

Die al zal doen , 't gonne dat ik hem zeg ?"

15. — ,,'t Is mijn gelijk waar dat gij gaat,

Als gij uw eere maar wel en bewaart,

Uw ouders in geene schande en laat.

Gaat edel, gaat edel vóór je vader staan."

16. Ze ging al vóór haar vader staan :

„Vader, mag ik wel spelen gaan?

Den schippermar» heeft het mij gera&n,

Dat ik meuge met Mooi Amberecht gaan."

17. — ,,'t Is mijn gelijk waar dat gij gaat,

Als gij uw eere maar wel en bewaart,

Uw ouders in geene schande en laat.

Gaat edel, gaat edel vóór je moeder staan."

18-23. (.Moeder, broere en zuster geven nu allen hunne toestemming).

24. Ze ging al in haar salette,

Ze begondede haar te blanketten.

En dat was al in haar salette,

Dat zij begondede haar te blanketten.

VAR.: 14-23, worden soms vervangen door deze enkele:

Ze ging al vóór haar grootmoeder staan:

„Grootmoeder, mag ik, enz.

met het antwoord:

— „'tis mijn gelijk, enz.

24. Zij ging al in de keuken ,

Zij deed haar haartje kreukelen.

En dat was al in de keuken,

Dat zij deed haar haartje kreukelen.

Sluiten