Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Wat deed zij aan haar beenen?

Een paar witte zijde kousjes kleene.

En dat was al aan haar beenen,

Dat zij deed een paar witte zijde kousjes kleene.

26. Wat deed zij aan haar voeten?

Een paar roo pantoeffeltjes zoete.

En dat was al aan haar voeten,

Dat zij deed een paar roo pantoeffeltjes zoete.

27. Wat deed zij op haar schoon wit lijf? Een hemdetje vele witter als krijt.

En dat was al op haar schoon wit lijf,

Dat zij deed een hemdetje veel witter als krijt.

28. Wat deed zij aan haar onderlijf?

Van steke tot steke eenen gouden drijf.

En dat was al aan haar onderlijf,

Dat zij deed van steke tot steke een gouden drijf.

29. Wat deed zij aan haar onderrok?

Van steke tot steke een gouden knop.

En dat was al aan haar onderrok,

Dat zij deed van steke tot steke een gouden knop.

30. Wat deed zij aan haar schoon wit kleed ? De kanten : waren zoo wijd en zoo breed.

En dat was al aan haar schoon wit kleed,

Dat de kanten waren zoo wijd en zoo breed.

Var. : ook:

2. Zij deed haar poederen en blanketten. 4. Dat zij deed haar poederen en blanketten.

nog:

Ze vertrok boven op haar slaapkamere, Ze kleeddede haar mooi: 't was jammere! En dat was al op haar slaapkamere,

Dat zij kleeddede haar mooi: 'twas jammere! 28, 1 en 3. onderlijf] rokkelijf — 2. drijf] trijp — 30, 2. De zijde cinture wijd en breed.

4. Dat zij deed de zijde cinture wijd en breed.

Sluiten