Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50. Zij zettede haar neder in de karos,

Ze reed daarmee twers door den bosch,

Totdat zij den bosch in 't beginne kwam:

Mooi Amberechts vader haar tegenkwam.

51. „Ik groete je, gij schoone maagd,

Met uwe bruin oogen en schoon zwart haar!

Je zijt weerd, dat je de krone draagt,

De krone van goud, en ze weegt zoo zwaar!"

52. Ze spandede haar peerden al aan den kant,

Ze reed Mooi Amberechts vader in 't zand;

Ze spandede haar peerden al aan den boord,

Dat zij reed Mooi Amberechts vader dood.

53. Ze zettede haar neder in de karos,

Ze reed daarmee twers door den bosch,

Totdat zij den bosch in 'teerste deeltje kwam:

Mooi Amberechts moeder haar tegenkwam.

54-63. „Den bosch in 't eerste deeltje" rijdt ze Mooi Amberechts moeder dood, „den bosch halfwege" zijn broere, „den bosch in drij deelen" zijn zuster. „Den bosch heel t' enden" komt zij Mooi Amberecht zelve tegen , die haar begroet. Daarop gaat het verder:

64. Mooi Amberecht nam dees maged bij d' hand, Hij leidde ze langs zijn grootmoeders kant.

Hij nam dees maged al bij haar n-hand,

Hij leidde ze langs zijn grootmoeders kant.

VAR.: 50, 1. zettede] zet —

3-4. Totdat zij al ver in den bosch kwam aan: Zelf Mooi Amberechts vader tegenkwam. 51, 2-4. 't Is weerd dat gij de krone draagt!

't Is weerd dat gij zijt een rijk koningskind: 't Is weerd dat gij de krone verdient!" 52, 1 en 3. spandede\ spant — 53, 1. zettede] zet

Sluiten