Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10 Al van den besten rooden wijn al die daar was.

„Drinkt uit, drinkt uit, gij mooi haveloos meisje,

Drinkt uit, drinkt uit, gij mooi haveloos kind."

— ,,'k En zijn voorwaar geen mooi haveloos meisje, 'k En zijn voorwaar geen mooi haveloos kind,

15 Want 'k heb nog en vader en en moeder,

En 'k heb nog en zuster en e broere,

'k Heb nog en zuster die Paaschavond in 't kloostere zal gaan."

— „Schoon lief, als gij in het kloostere zal gaan, enz.

Vs. 19—37 luiden als vs. 7—26 van de voorgaande telling; daarop vervolgt het:

En ze keerd' 'en en ze wendd' 'en:

Zij aanzag al zijn allende,

40 Zij aanzag al zijn verdriet.

En ze nam 'en op haar kniên:

„Ach, schoon zoetelief, en zij je toch ziek?

Zij je ziek om mijnen wille?

Ja om mijnen wille toch ziek?"

45 En ze nam 'en op haar schoot:

„Ach, schoon zoetelief, en zij je toch dood?

Zij je dood om mijnen wille ?

Ja om mijnen wille toch dood ?"

En ze nam 'en onder heur faalje.

50 En ze sprong daar op zen peerd,

Zij trok uit zen blankende zweerd;

En ze stak haar peerdetje met sporen,

En ze reed door dijken en door doren,

En ze reed door dijken en door dal,

55 Totdat zij aan een paster- of een kapelaanshuis kwam. En ze sprong daar van haar peerd,

Zij trok in het blankende zweerd;

En ze klonk daar ane de belle :

't Was de poortierige die opendeê.

60 ,,'k Groet je, 'k groet je, gij poortierige!

11 en volgg. Men zingt niet haveloos, mme jammer loos (oiamereusï).

Sluiten