Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 1898 heeft de provinciale technische dienst de bijna geheele rechtmaking dezer laatste rivier bewerkt. Nieuwe bruggen werden gemaakt op den steenweg naar Diest en op den Ouden

Dijk naar Schorvoirt en op andere plaatsen van minder belang.

*

* *

De openbare vervoermiddelen waren in de eerste tijden der Onafhankelijkheid nog de oude DILIGENTIES, die men wel eens het Postje heette, en de voerlieden, die met hunne karren hunne wekelijksche reis deden. Er waren te Turnhout zes voerlieden, waarvan er wekelijks op vastgestelde dagen naar Diest, Leuven, Lier, Antwerpen, Brussel, en omgekeerd, reden; twee diligenties die dagelijks van Turnhout naar Antwerpen vertrokken en wederkeerden, en eene die den dienst op Diest deed.

Het vervoer werd gansch veranderd door het aanleggen der IJZEREN WEGEN en BUURTSPOORWEGEN.

Lang had Turnhout moeten wachten en vragen, alvorens deze verbetering in het verkeer te verkrijgen ; want sinds den 28 maart 1834 (1) was de eerste lijn Brussel-Mechelen in de Kamers gestemd geweest, en den 5 october 1853 verscheen er eerst een koninklijk besluit dat vergunning schonk aan eene maatschappij voor eene ijzeren baan van Lier naar Turnhout, die ook dienst deed tot Contich (2). In 1854 was men volop aan het werk ; in 1855 was het nieuw statiegebouw voltrokken, en stoomden onze inwoners naar Antwerpen over LierContich. Verder werd de ijzerenweg door gelegd, eerst (3) tot Tilburg, later tot 's Hertogenbosch en Utrecht (1870) zoodat Turnhout, nu ook een gemakkelijk verkeer met België en Holland geniet. Sinds geruimen tijd had het spoorwegnet eene groote uitbreiding genomen ; ijzerenwegen doorkruisten geheel het land ; voor Turnhout ook werden de treinen verdubbeld ; de reizigers kwamen nu in grooter getal in en uit

hout, Turnhout, Papenbrugge, Gierle, Thielen, Poederlé, Vorsselaar en Grobbendonk, waar zij in de kleine Neeth uitkomt.

(1) S. Balau, Soixanle-dix ans d'Histoire contemporaine, p. 69.

(2) Bergman, Gesch. v. Lier, bl. 597.

(3) V. v. T. 1854, bl. 40-52. — 1855, bl. 37-40,

Sluiten