Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een figuur, die schijnbaar van achter een of ander voorwerp naar boven komt. Zoo vertoont het wapen van Zeeland een uitkomenden leeuw.

Uitlanders was in de voormalige Z. Afrikaansche Republiek de naam, welke aan de geïmmigreerde vreemdelingen, in het bijzonder aan de Engelschen gegeven werd. In tegenstelling met de Boeren bezaten zij geen burgerrechten.

Uitlegkunde. Zie Exegese en Hermeneutiek.

Uitlevering is bet overleveren van een misdadiger of verdachte door de Regeering van het ééne land aan die van een anderen staat. Onze Grondwet bepaalt in art. 4, dat de wet zal regelen de toelating en de uitzetting van vreemdelingen en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten. Uitzetting verschilt van uitlevering hierin, dat bij uitzetting de persoon eenvoudig over de grenzen wordt gezet, maar niet aan het vreemde Staatsgezag wordt overgeleverd. Uitzetting geschiedt van vreemdelingen die zonder middelen van bestaan zijn of die gevaarlijk zijn voor de orde en rust, uitlevering van personen die verdacht worden buitenslands zich aan een misdrijf te hebben schuldig gemaakt. De toelating en uitzetting zijn geregeld in de wet van 13 Aug. 1849 (Stbl. n°. 39), de uitlevering in de wet van 6 April 1875 (Stbl. n°. 66). Gelijk uit het Grondwetsartikel voortvloeit, kan uitlevering alleen plaats hebben tusschen mogendheden, die een uitleveringsverdrag hebben gesloten. De wet somt de misdrijven op, die aanleiding tot uitlevering kunnen geven en dus in het verdrag kunnen worden opgenomen. De uitlevering wordt gevraagd langs diplomatieken weg, dus door tusschenkomst van den gezant. De beslissing, of aan aie aanvrage zal worden voldaan, berust bij den Minister van Justitie na advies van de Rechtbank, onder welker rechtsgebied de opgeeischte persoon is aangehouden of zich bevindt. De Rechtbank moet, alvorens haar advies uit te brengen, den persoon hooren. Nederlanders worden volgens onze tegenwoordige wetgeving niet uitgeleverd, maar worden hier te lande gestraft ook voor misdrijven die zij in 't buitenland hebben begaan. Zeer betwist is de vraag, of niet in de toekomst ook de uitlevering tot Nederlanders behoort te worden uitgestrekt. Sommigen meenen, dat reeds thans onze Grondwet uitlevering van Nederlanders niet uitsluit, maar anderen meenen, dat wel degelijk de Grondwet de uitlevering van Nederlanders in den. weg staat.

Uitleveringstractaat noemt men het verdrag, dat tusschen verschillende landen omtrent de uitlevering van misdadigers gesloten wordt. Zie Uitlevering.

Uitmiddelpuntigheid is de Nederlandsche vertaling van het vreemde woord excentriciteit. Zie Ellips.

Uitrusting noemt men het geheel van voorwerpen, waarmede een soldaat, paard, troepenafdeeling, vesting of schip moet voorzien worden, om hen materieel in staat te stellen aan den strijd deel te nemen. Zij bestaat voor den man uit de kleeding, de bewapening, de munitie en de verdere bepakking, voor de troepenafdeeling uit de noodige proviand, munitiereserve, wagens enz.; tot de uitrusting van een schip behooren: steenkool, proviand, drinkwater nautische instrumen¬

ten, zeilen, touwwerk, ankers, booten, vlaggen enz.

Uitschakelaar is in de electrotechniek de naam van een toestel, die zich in het geleidingsnet of een vertakking daarvan bevindt en in staat stelt om den stroom te sluiten en verbreken. Hij wordt met de hand bediend of werkt automatisch, zoodra de stroomsterkte, óf een zekere grens overschrijdt (maximaaluitschakelaar), öf daar beneden daalt (minimaaluitschakelaar). Om den stroom te verbreken, verwijdert men met behulp van een hefboom twee contactstukken van elkander. Blijft daarbij het ééne uiteinde van den hefboom met de leiding verbonden, dan noemt men den uitschakelaar éénpolig; worden de beide uiteinden van de leiding van elkander en van den hefboom geïsolerd, dan noemt men den uitschakelaar tweepolig. Deze laatste soort werkt zekerder dan de eerste. Een éénpolige uitschakelaar is afgebeeld in figuur 1. De beide uiteinden van de leiding eindigen in 2 fl vormige veeren. Met het onderste paar blijft de hefboom, voorzien van een isoleerend handvat, in geleidenFig. 1. (je verbinding. Men onderbreekt

Uitschakelaar.

tusschen het bovenste paar veeren weg te trekken en omgekeerd. Een tweepolige uitschakelaar voor kleinere stroomsterkten, de draai- of doosuitschakelaar, wordt voorgesteld door figuur 2. In de vierkante uitholling van de porseleinen doos AA, welke met behulp van de houtschroeven BB aan den wand bevestigd wordt, bevindt zich de draaibare speksteencylinder D, verbonden met de (gestippeld geteekende) handgreep C, welke buiten de doos ligt. Aan dezen cylinder is de veer E bevestigd, terwijl op A do messing platen F zijn vastgemaakt. Zij zijn omgebogen in de genoemde uitholling, waar de uiteinden van de veer E tegen haar aandrukken. Twee van de vier platen F dragen de klemschroeven G, waarmede de uiteinden van de leiding zijn verbonden D kan slechts in de richting van den pijl gedraaid worden. In den stand van de figuur sluit de veer E den stroom. Draait men D met behulp van C om een hoek van 90°, dan leggen zich de uiteinden van de veer E tegen de blinde contacten F en de stroom is onderbroken. Draait men nogmaals 90°, dan is de stroom weder gesloten enz. Het geheel is bedekt met een huls van eboniet, waaruit slechts de handgreep C steekt. De automatische uitschakelaars

Sluiten