Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luchtthermometer. De ballon A is tot aan het merk a gevuld met gas, waarvan men de uitzetting wil onderzoeken. C en D zijn gevuld met kwik, terwijl de kraan c in staat stelt de kwikniveau's in C en D even hoog te houden. Door A op verschillende temperaturen te brengen, kan men het verloop der uitzetting bestudeeren. Gay Lussac meende nu gevonden te hebben, dat zich alle gassen regelmatig uitzetten en dat de uitzettingscoëfficient voor alle gassen dezelfde is. Blijft het volume constant, dan is er natuurlijk van uitzetting geen sprake, maar neemt de druk of spanning toe; men spreekt dan van spanningscoëfficient. RegnauU en anderen hebben Gay Lussac's proeven met de meeste nauwkeurigheid herhaald. Zij vonden o. a. dat de uitzettings-en spanningscoëfficient van een gas niet volkomen dezelfde waarde hebben, dat deze waarden voor verschillenden gassen verschillend zijn en dat zij afhangen van de spanning, welke het gas aanvankelijk bezit, welke drie gevolgtrekkingen uit de waarden van onderstaande tabel blijken:

;S "g Lucht. Kooldioxyd. ,u q n

§ 'a % Uitzett. Spann. Uitzett. Spann.

ö I ö' coëff. coëff. coëff. coëff.

4 &l

7 60 0,003665 0,003671 0,003706 0,00 3710

16 93 0,003680

17 26 0,00 3752 25 20 0,003845

25 25 0,003694

Het blijkt, dat de uitzettings- en spanningscoëfficienten minder van elkander verschillen, naarmate de gassen ijler zijn. Op grond daarvan stelt men hen voor gassen (en dampen) welke niet op het punt zijn om in den vloeibaren toestand over te gaan, aan elkander gelijk. Hun waarde bedraagt dan 1/278-

Ujejski, Kornel, een Poolsch dichter, geboren den 4den Juni 1823 te Beremniany, studeerde te Buczacz en Lemberg en vestigde door zijn „Skargi Jeremiego" (Klaagliederen van Jeremia, 1847),waartoe de moordtooneelen onder de Galicische boeren in 1846 hem aanleiding gaven, reeds vroeg zijn naam als dichter. Nadat hij in 1847 te Parijs in kennis was gekomen met Slowacki, volgden zijn „Melodye Biblijne" (Bijbelsche melodieën, 1852), waarin hij de smart van het Poolsche volk tot uitdrukking brengt. Verder schreef hij woorden bij de toonzettingen van Chopin („Tlómaczenia Szopena") en anderen. Nadat hij gedurenden den opstand van 1863 naar Zwitserland de wijk had moeten nemen, werd hij, weder teruggekeerd, herhaaldelijk in den Gallicischen Landdag en in 1877 ook in den Oostenrijkschen Rijksraad gekozen. Hij legde echter dit mandaat spoedig neder en trok zich terug op zijn landgoed bij Lemberg. Van zijn hand verscheen nog „Smok siarczysty" (1880), een verzameling dramatische schetsen. Hij overleed den 19del1 September 1897 te Pawlow (Gallicië).

TJjfalvy, Charles Eugen, van Mezö Eovesd, een Oostenrijksch taalkundige en onderzoekingsreiziger, geboren te Weenen den 16den Mei 1842, bezocht de militaire academie te Wiener-Neustadt,

werd in 1861 luitenant maar verliet in 1864 het leger, studeerde daarna te Bonn en ging in 1866 naar Parijs, waar hij in 1874 privaatdocent werd en in 1877 leeraar aan de Oostersche academie. In opdracht van de regeering deed hij tusschen 1876 en 1882 drie onderzoekingsreizen door Centraal-Azië. De resultaten daarvan publiceerde hij in zijn „Expedition scientifique fran^aise en Russie, en Sibérie et dans le Turkestan (3 dln. text en 3 dln. atlas, Parijs, 1878—1880). Van zijn andere werken noemen wij: „Les migrations des peuples et particulièrement celle des Touraniens" (1873), „L'ethnographie de 1'Asie" (1874), „Mélanges altaïques" (1874), „Etude comparée deslangues ougrofinnoises" (1875), „Grammaire finnoise" (met R. Hertzberg, 1876), „L'art descuivres en Cachemire" (1883), „Aus dem westlichen Himalaya" (1884), en „Les Aryens au nord et au sud de 1' Hindou-Koucli" (1896). Verder redigeerde hij van 1874—1877 de „Revue de philologie et ethnographie", vertaalde hij de „Gedichte" (1871) van Petöfi en met Derbordes Balmore een bloemlezing van Magyaarsche gedichten (1872) en het Finsche treurspel „Kelewala" (1876) in het Fransch. In het Duitsch schreef hij op letterkundig gebied „Alfred de Musset" (1870). Hij overleed den 318ten Januari 1904 te Florence.

Ujhely. Zie Satoralja Ujliely.

Ujiji. Zie Udsjidsji.

Ukamba, een provincie van het Engelsche O. Afrika-Protectoraat, is ten-W. van Seyyidieh en Tanaland, halverwege tusschen Mombas en het Victoriameer aan den bovenloop van de Tana gelegen. De bewoners, Wakamba geheeten, zijn donkerkleurig en tamelijk goed gebouwd. Zij vijlen de bovenste snijtanden spits toe en breken de onderste gewoonlijk uit. De mannen dragen een lendensnoer, die vrouwen een schort. Zij wonen in ronde hutten van leem of graszoden in dorpen bijeen en worden door oudsten geregeerd. De provincie beslaat een oppervlakte van 133 800 v. km. en telt (1903) 1 044 000 inwoners, waaronder ruim 50 Europeanen. De hoofdstad is Nairobi.

Ukase. Zie Oekase.

Ukermark (Uckermark) het N. lijk gedeelte van de Pruisische provincie Brandenburg, tusschen de Mittelmark, Mecklenburg-Strelitz, Pommeren en de Neumark gelegen, wordt doorstroomd door den Uker, den Oaer, de Welse, den Randow en bevat verschillende meren. Zij vormt een vruchtbare vlakte met lage heuvels en beslaat een oppervlakte van 3700 v. km. Zij omvat hoofdzakelijk de distrikten Prenzlau, Angermünde en Templin. De Ukermark werd in de 6de eeuw door de Ukraniërs, een Wendischen volksstam, bewoond. Omstreeks 1177 werd zij door de hertogen van Pommeren in bezit genomen. In 1250 kwam zij in de macht van Brandenburg maar werd later gedeeltelijk door Pommeren bezet. Albrecht Achilles vereenigde dat gedeelte der Ukermark in 1472 weder met de Mark.

Ukert, Friedrich August, een Duitsch aardrijkskundige en geschiedsnisschrijver, geboren den 28sten October 1780 te Eutin, studeerde te Halle, werd in 1807 leeraar aan het gymnasium te Gotha en in 1842 hoofdbibliothecaris aldaar. Hij hield zich voornamelijk bezig met de studie der aardrijkskunde van de Oude Wereld. Hij schreef o.a. „Handbuch der Geographie der Griechen und Römer" (2 dln., 1816—1831) en begon in 1829 met Heeren aan

Sluiten