Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou maken, om, uitgaande van zekere grondbegrippen, alle denkbare begrippen en dienovereenkomstig een universeele spreektaal (pasilalie) en een universeele schrijftaal (pasigrafie) te construeeren. Het programma, door Leibniz opgesteld, is tot op zekere hoogte in de tegenwoordige algebraïsche logica, logicalcul genaamd, verwezenlijkt.

Universiteiten, ook Hoogescholen en Academies (zie aldaar) geheeten, zijn inrichtingen van hooger onderwijs voor de opleiding van studenten, die een bepaald voorbereidend onderwijs genoten hebben, en die haar werkzaamheden over het geheele gebied der wetenschap uitstrekken. Universitas beteekende aanvankelijk (in de 13de eeuw) een vereeniging of genootschap van leeraren en leerlingen (universitas magistrorum et scholarium); langzamerhand echter werd deze naam aan de inrichtingen zelf gegeven. De eerste universiteiten, volgens het tegenwoordig spraakgebruik eigenlijk slechts faculteiten, ontstonden in den loop van de llde eeuw in Italië; bijv. de rechtsscholen te Ravenna, Bologna en Padua en de geneeskundige school te Salerno. Een meer omvattende organisatie als kerkelijke hoogeschool verkreeg het eerst de universiteit te Parijs, welke vanaf de 12de eeuw de leiding had op het gebied van wijsbegeerte en godgeleerdheid. Deze universiteit

werd het model voor alle universiteiten van W. Europa, vooral voor de Engelsche, waarvan die te Oxford, door toeloop van leeraren en leerlingen uit Parijs, onder koningin Blanca van Castiliê (1226— 1236), de Parijsche naar de kroon stak, zoo niet overvleugelde. Intusschen vormden de rechtsgeleerden te Bologna reeds vroeger een bevoorrecht

genootscnap. Loen men net gewicnt van zulKe geleerde vereenigingen begon in te zien, maakten de pausen aanspraak op de indirecte beschermheerschappij over deze nieuwe inrichtingen, daarover ook hHn bijzondere rechtspraak uitstrekkend. De inwendige inrichting der universiteiten berustte op het verschil van nationaliteit; te Parijs bijv. ontstond in 1249 de verdeeling in vier natiën: Gallicanen (met Italianen, Spanjaarden, Grieken en Oosterlingen, Picarden, Noormannen en Engelschen (met Duitschers enz.) Hun voorzitters (procuratoren) verkozen den rector. Het recht om als leeraar op te treden werd in 1219 door paus Honorius afhankelijk gesteld van de toestemming van den bisschop of van den scholasticus (domof stiftsheer), aan wien deze aangelegenheid was opgedragen. Langzamerhand ontstonden vereenigingen onder de leeraren in de godgeleerdheid, de rechtswetenschap en de geneeskunde, welke in 1231 te Parijs voor het eerst door Gregorius IX werden erkend en die ordines of facultates (faculteiten) genoemd werden. Na het ontstaan der indeeling in faculteiten, trad die in nationaliteiten op den achtergrond. Een weinig later vormden de leeraren in de 7 „vrije kunsten" een vierde faculteit, de philosoflsche. De taak van deze faculteit bestond vroeger echter alleen in de opleiding der studenten voor de studio van een der hoogere vakwetenschappen. Spoedig verwierven deze faculteiten het voorrecht van academische graden te mogen toekennen. Te Parijs had men drie graden (ieder met afdeelingen), die van baccalaureus, licentiaat en magister. De baccalaurei werden door de

afzonderlijke magisters benoemd, doch de rangvan licentiaat werd na een examen door den voorzitter der faculteit uit naam van den kanselier of bisschop toegekend. In Duitschland benoemden (promoveerden) de drie oude of hoogste faculteiten doctoren en de faculteit der vrije kunsten magisters. De promotiën droegen gewoonlijk een plechtig karakter en de promotus ontving den doctorshoed als teeken zijner waardigheid. Een andere Middeleeuwsche instelling der universiteiten waren de collegiën, oorspronkelijk inrichtingen, waar de studenten kosteloos onderhoud en onderwijs kregen. Een der eerste was de beroemde Sorbonne te Parijs. Particuliere ondernemingen met dezelfde strekking, de beurzen (bursal, waarvan: bursae, bursarii, bursici, en de Duitsche woorden Burschen en Burschenschajt), ook regentiae, contubernia of stipendia, vonden vooral in Duitschland en Nederland verbreiding.

De Nederlandsche universiteiten zijn ontstaan uit de academiën (zie aldaar). De studie aan deze universiteiten is vrij, wat als nadeelig gevolg heeft, dat het aantal ingeschrevenen kleiner is dan het aantal, dat als student te boek staat. Het aantal mannelijke, zoowel als vrouwelijke studenten neemt gestadig toe. Voor de eerste bedroeg het gedurende den cursus 1898—1899: 3021 en gedurende den cursus 19071—908: 3655. Terwijl er in 1898—■ 1899 van de 3021 studenten 123 vrouwelijke waren, bedroeg dit aantal in 1907—1908 van de 3655 506. Het onderwijs wordt gegeven door hoogleeraren en lectoren, bijgestaan door assistenten. Sedert 1905 kunnen aan de rijksuniversiteiten bijzondere hoogleeraren benoemd worden, wat aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam reeds lang het geval was. Bovendien kreeg in dat jaar de Vrije Universiteit, wat aangaat het verleenen van graden, dezelfde rechten als de openbare universiteiten en kregen vereenigingen van narticn-

lieren de bevoegdheid om op haar kosten een leerstoel aan een openbare universiteit te verbinden. Daarenboven heeft men privaatdocenten die slechts verlof hebben om te onderwijzen, zonder daartoe gebonden te zijn.

In Duitschland werd de eerste universiteit (met 4 naties) in 1347 door Karei IV te Praag gesticht. Bij het begin der Hervorming waren er in het ee-

heele Duitsche rijk 17. De eeuw der Hervorming, waarin de banden, welke de hoogescholen aan de kerk bonden, werden losgemaakt, bracht een nieuwe reeks van universiteiten, welke een beslist Luthersch of Calvinistisch karakter droegen. De stormen der Napoleontische periode brachten menige verandering op het gebied van het Duitsche universiteitswezen. Sommige werden opgeheven, andere verplaatst en weer andere samengesmolten. Na 1870 echter zijn zij tot nieuwen bloei gekomen. Duitschland telt in zijn tegenwoordige samenstelling 21 universiteiten, waarvan 10 in Pruisen. In het winterhalfjaar 1909—1910 werden zij bezocht door 61 765 studeerenden, in het zomerhalfjaar door 54 393 studeerenden.

In België bestaan naast de rijksuniversiteiten te Gent (1816) en Luik (1817), twee vrije universiteiten te Brussel (1834, vrijzinnig) en te Leuven (1835, R. Katholiek), welke door vereenigingen van particulieren gesticht werden. Evenzoo is deze aangelegenheid thans in Frankrijk geregeld.

Sluiten