Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar heeft de Revolutie de 23 oude, meer of minder kerkelijke hoogescliolen, opgeruimd. Napoleon I stelde in plaats daarvan een net van inrichtingen voor hooger onderwijs, waarvan het middelpunt universiteit (Université de France) genoemd wordt. Het geheele land is thans verdeeld is 16 distrikten. in elk waarvan zich een universiteit bevindt, welke van 2—5 faculteiten hebben. Aan haar hoofd staat een rector, bijgestaan door een universiteitsraad, welke belast is met het toezicht op de discipline en het onderwijs, maar vooral met het beheer der fondsen. Daarnaast bleven slechts enkele faculteiten en colléges zelfstandig bestaan (Sorbonne, Collége de France enz.). In 1875 werd aan vereenigingen enz. het recht toegekend om vrije universiteiten op te richten. Als gevolg daarvan ontstonden 5 R. Katholieke hoogescliolen. Het recht om graden toe te kennen is haar echter later weer ontnomen. In Engeland is de ontwikkeling der beide kerkelijke hoogescliolen te Oxford en Cambridge eenigszins anders verloopen. Daar bestaat het collegiënwezen, dat wij bij de Middeleeuwsche hoogescliolen ontmoeten, en dat hier op oude, rijke schenkingen berust

(colleges en Halls), ook tnans nog. uaaruoui /.ijn zij nog nauw met de Staatskerk verbonden, hoewel sedert 1871 de niet-geestelijke plaatsen onafhankelijk van de Anglikaansclie geloofsbelijdenis heeten. Naast deze beide bezit Engeland sedert 1898 enkele andere universiteiten, zooals die te Londen, welke ontstaan zijn uit de samenvoeging van colleges. De Schotsche hoogescholen zijn ingericht naar het Duitsclie voorbeeld, terwijl die van Ierland deels het oudere, Engelsche type, deels het nieuwere en eindelijk ook het Fransche en Belgische vertoonen. De overige landen van Europa hebben het Duitsche voorbeeld, min of meer gewijzigd, nagevolgd. In N. Amerika zijn zij naar het oudere, Engelsche voorbeeld gevormd. Gedeeltelijk particuliere stichtingen, gedeeltelijk opgericht door den staat, genieten zij een groote vrijheid. De studeerenden zijn inwonend. Sommige hoogescholen zijn alleen voor vrouwen toegankelijk.

Van het aantal universiteiten der voornaamste landen der wereld en het aantal studeerenden, geeft de volgende tabel een overzicht:

Land. Jaar.

Hoogeschelen. Studeerenden.

Zweden 1908—1909 2 2 941

Griekenland 1909 1 2 600

Denemarken 1908 1 1 607

Noorwegen 1908 1 1584

Vereenigde Staten

van N.-Amerika .. 1907—1908 558 64 764

Mexico 1904 65 9 018

Japan 1908—1909 3 . 7 517

Voor-Indië 1907—1908 5 7 078

Canada 1908 13 7 000

Argentinië 1909 5 5 886

Finland 1909 1 2 472

Chili 1907 2 1 620

Nieuw-Z.-Wales .... 1908 1 1324

Land. Jaar.

Hoogescholen. Studeerenden.

Duitscliland 1909—1910 21 61 765

Frankrijk..... 1910 16 40 131

Groot Brittannië en

Ierland 1909 22 38 879

Rusland 1907 11 33 622

Oostenrijk 1909—1910 8 27 833

Italië 1908-1909 21 23 644

Spanje 1908 9 12180

Hongarije 1908 3 9 908

Zwitserland 1910 7 8 092

Roemenië 1908 3 5 007

België 1907-1908 4 4 339

Nederland 1910 5 4046

University-extension noemt men het streven om aan die klassen in de maatschappij, welke niet in de gelegenheid zijn van de universitaire opleiding gebruik te maken, de gelegenheid te geven hun kennis te vermeerderen. Men tracht dit doel te verwezenlijken door middel van een bijzonder stelsel van onderwijs. Deze beweging ging

uit van N. Amerika, waar Peter Cooper in 1850 tot dit doel te New-York een onderwijsinstelling opende (Coopers Instüute). Spoedig volgde Enge¬

land, waar C'amsle en Kmgsley vanat ongeveer lö<u warme voorvechters dezer beweging waren. De hoogeschool te Cambridge gaf het voorbeeld.

Langzamerhand volgden ook de hoogescholen in

de andere landen van Europa. In Engeland wordt dit onderwijs gegeven door leeraren, die daartoe

aangewezen en in den regel aan een noogescnool verbonden zijn. Overal, waar de wensch daartoe wordt te kennen gegeven, en waar de dekking der onkosten verzekerd is, worden cursussen gegeven

en wel voornamelijk over natuurwetenschappelijke onderwerpen, aardrijkskunde, staathuishoudkunde enz. Aan de voordracht van den leeraar wordt een bespreking van het onderwerp met de toehoorders verbonden; deze moeten elke week werk inleveren, terwijl aan het einde van den cursus een examen wordt gehouden. Sedert 1890 worden daarmede zomercursussen van een maand verbonden. Zij worden aan de hoogescholen zelf gegeven en hebben de bedoeling de theoretische kennis door praktische oefeningen in het laboratorium aan te vullen. Op meer bescheiden schaal is met dit werk van university-extension bij ons te lande een begin gemaakt, o. a. te Leiden en te Amsterdam.

Naast dezen vorm van university-extension is er in de georganiseerde arbeidende klassen van verschillende landen (Duitschland, Nederland, België) een streven merkbaar, dat, uitgaande van de overweging, dat het inzicht in en de toepassing van de wetenschap, evenals zooveel andere dingen, beheerscht wordt door het klassenbelang, dezen vorm van vermeerdering der kennis tracht te organiseeren op den bodem van het klassebelang van het proletariaat en haar aan zijn strijd

Sluiten