Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buitengewoon professor aan de universiteit te Bern en in 1863 gewoon hoogleeraar te Greifswald en in 1866 te Bonn. Nadat hij gepromoveerd was op zijn: „Analecta Theophrastea". (1858), schreef hij: „Alexandri Aphrodisiensis problematorum lib. III et IV." (1859), „Scholia in Lucani b'llum civile" (dl. 1, 1869), „Anecdoton Holden" (1877), „Legenden der Pelagia" (1879), „De Stephano Alexandrino" (1880), „Acta S. Marinae et S. Christophori" (1886), „Altgriechischer Versbau" (1887), „Religionsgeschichtliche Untersuchungen" (3 dln., 1889—1899), „Dionysii Halicarnassensis librorum de imitatione reliquiae epistulaeque criticae duae" (1889), „Der heilige Theodosios. Schriften des Theodoros und Kyrillos" (1890), „Götternamen. Versuch einer Lehre von der religiösen Begriffsbildung" (1895), „Dionysii Halicarnassei quae fertur Ars Rhetorica" (1895), „Dionysii Halicarnassei opuscula" (met Radermacher, 1899 en later) enz. Hij overleed den 21slen October 1905 te Bonn.

Usgad is een andere naam voor Josgad. Zie aldaar.

Ushas of Ufas is in de mythologie van de Veda's de naam van de godin van het morgenrood, die met de Grieksche Eos en de Latijnsche Aurora overeenkomt. In de Rigveda draagt de dochter van den god van den hemel Dyaus dezen naam. Zij is In dit werk de eenige godin, die een minnaar heeft. Zij wordt als het prototype van de hetaeren beschouwd.

Usher (Ussher), James, een Engelsch godgeleerde, geboren te Dublin den 4den Januari 1581, studeerde in de theologie, werd in 1600 leeraar aan het Trinity College te Dublin, in 1601 priester, in 1603 kanselier van de St. Patrick- kathedraal te Dublin, in 1607 hoogleeraar in de godgeleerdheid aldaar, in 1620 bisschop van Meath, in 1625 aartsbisschop van Armagh en vestigde zich, tengevolge van den Ierschen opstand, in 1640 als ambteloos burger in Engeland. Hij schreef: „Discourse of the religion anciently professed bij the Irish and British" (1632), „Brittannicaram Ecclesiarum antiquitates et primordia" (1639), „SS. Polycarpi et Ignatii epistolae" (1644, appendix 1647), „Annales veteris et novi testamenti" (2 dln., 1650— 1654) en „De graeca Septuaginta interpretum versione syntagma" (1655). Zijn opvattingen over het kerkstelsel ontvouwde hij in „The reduction of episcopacy to the form of the synodical government in the ancient church" (1654). Hij overleed den 21sten Maart 1656 te Reigate. Zijn verzamelde werken werden door Elrington en door Todd (17 dln., Londen, 1841-1848 en 18621-864) uitgegeven.

Usipeten (Usipeles of Usipii) is de naam van een Germaansch volk, dat, met de Tenkteren door de Sueven van den Neder- Rijn verdreven, Gallië binnendrong, maar hier in 55 v. Chr. door Caesar verslagen en grootendeels vernietigd werd. De overgeblevenen, door de Sicambriërs met welwillendheid ontvangen, vestigden zich op den N. lijken oever van de Lippe. Hier moesten zij zich onderwerpen aan Drusus. Met de Tenkteren, hun zuidelijke naburen, waren zij steeds nauw verbonden. Omstreeks het jaar 70 n. Chr. namen zij deel aan de belegering van Mogontiacum; in 83 bevond zich een troep Usipeten in Brittannië. Later gingen zij op in den volkerenbond der Alemannen.

Uskoken (van het Servisch- Kroatische uskociti = vluchtelingen) noemt men de bewoners van Bosnië en Servië, welke, tengevolge van de Turksche gruwelen, in het begin der 16de eeuw hun vaderland verlieten en N. waarts uitweken. De meeste Uskoken vestigden zich te Clissa en omstreken, op de bezittingen van den magnaat Peter Krusitsj. Toen de Tnrken in 1537 Clissa veroverderden, trokken de Uskoken naar Sign, waar zij vooral leefden van zeeroof en zoowel tegen de Turken, als tegen de Venetianen een verbitterden strijd voerden. Deze gaf aanleiding tot een oorlog tusschen Oostenrijk en de Venetiaansche Republiek (1612), welke ten gevolge had, dat de Uskoken Sign moesten ontruimen. In 1615 werden hun schepen verbrand, waarna zij zich in het gebied van Karlstadt en aan de Kulpa (1617) vestigden, waar reeds sedert 1524 een aantal Uskoken woonde. Voortdurend in strijd met de Turken, vormden zij later den kern van de Oostenrijksche troepen in de Militaire grenzen.

Uslar, Peter Karloioitsj, baron von, een Russisch taalgeleerde, geboren den 2den September 1816 op het landgoed Koerowo bij Wysjnij- Molotsjok (Twer), trad in 1833 in militairen dienst. Belast met de volkenkundige beschrijving van den Kaukasus, bestudeerde hij vanaf 1862 de talen der Abchasen, Tsjetsjenzen, Avaren, Hoerkanen enz. De resultaten daarvan publiceerde hij in een zestal werken, welke in het Russisch verschenen. Hij overleed als generaal-majoor op zijn landgoed Koerowo den 20sten Juni 1875.

Usnea Dill. of baardmos is de naam van een plantengeslacht uit de klasse der Korstmossen (Lichenes). Het onderscheidt zich door struikvormig, rolrond, draadvormig, sterk vertakt en meestal slap neerhangend loof, welks merg een houtigen middendraad omsluit en welks oppervlakte later dwarsscheuren verkrijgt met schildvormig gesteelde, cirkelronde, platte schildjes, die dikwijls door een loofrand van fijne naaldjes omzoomd zijn. Dit geslacht telt omstreeks 10 soorten, welke over den geheelen aardbodem verspreid zijn. Van deze groeit U. barlata met lang, in haarvormige takjes verdeeld loof aan boomstammen, zoowel in de dalen als op de bergen van geheel Europa.

tTso noemt men in het wisselverkeer een bepaalden betalingstermijn. Volgens onze wetgeving geldt ten aanzien van in Nederland betaalbare wissels een termijn van 30 dagen. De betaling kan op een of meer uso's na dato of na zicht worden vastgesteld. Een wissel, waarbij de betaling op deze manier bepaald is, noemt men een usomssel. Ook in Frankrijk, Spanje en België komt de betaling volgens uso voor, in Duitschland, Oostenrijk en Engeland niet.

Usowissel. Zie Uso.

Ussat-les-Bains, een dorp in het Fransche departement Ariège, ligt, 3 km. Z. O. lijk van Tarascon, op den rechter oever van de Ariège en aan den spoorweg Parijs—Lyon—Marseille. Het bezit 3 kalklioudende, warme bronnen, welke vooral tegen zenuwziekten, in het bijzonder bij vrouwen, worden aangewend, 3 badinrichtingen, een casino en een park. In de nabijheid bevindt zich een druipsteengrot (Grotte de Lombrive), een vindplaats van menschelijke geraamten. De plaats telt (1901) 146 inwoners.

XV

25

Sluiten