Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cie Friesland, 6055 H.A. groot met (1910) 5402 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Rauwerderhem, Idaarderadeel, Smallingerland, Opsterland, Engwirden, Haskerland en Doniawerstal. De bodem bestaat grootendeels uit laagveen, in het W. uit klei. De gemeente wordt door de Boorn doorsneden. In het W. vindt men een gedeelte van het Sneekermeer en eenige andere plassen. De voornaamste middelen van bestaan zijn veeteelt en zuivelbereiding; verder wordt er ook landbouw, veenderij, scheepvaart, handel en eenige nijverheid uitgeoefend. Tot de gemeente behooren de dorpen: Oldeboorn, Akkrum, Terhorne en Terkaple, en de buurten Nes en Akmarijp.

Uti possidetis (Latijn = zooals gijlieden bezit), de aanwijzing van den oogenblikkelijken bezittoestand (status quó), is een in den nieuweren tijd bij het sluiten van een wapenstilstand gebruikelijke uitdrukking. In het Romeinsche recht waren het de beginwoorden van een door den praetor opgesteld interdict ter bescherming van het eigendomsrecht van onroerende goederen tegen aanranding daarvan. Later duidde men het interdikt zelve er mede aan.

Utopia noemt men de beschrijving van de instellingen van slechts in de phantasie der auteurs bestaande landen of steden met het doel ora het tusschen die instellingen en onze maatschappij voorkomend onderscheid ten nadeele van deze laatste duidelijk te maken. Het woord is samengesteld uit de Grieksche woorden ou = niet en topos = plaats en zou dus te vertalen zijn door nergensland. De eerste, die aan zulk eene beschrijving dien naam verbond, was Thomas Morus, die in 1516 zijn „Utopia" schreef. Zie verder Socialistische stelsels en theorieën.

Utraquisten. Zie Calixtijnen.

Utrecht (zie de kaart), de kleinste provincie van ons land, n.1. slechts 1384 v. km. groot, ont¬

leent haar naam aan de hoofdstad,een der oudste steden van ons land en eeuwen¬

lang de zetel van machtige kerkvorsten, wier wereldlijk gebied als Eet Sticht werd aangeduid en waarvan de provincie Utrecht het Ne-

der-Sticht vormde, in tegenstelling met de overige landen, die het Over-Sticht werden genoemd.

Ligging en Grenzen. De ligging der provincie in het midden des lands is zeer gunstig, vooral uit een handelsoogpunt, en haar hoofdplaats vormt dan ook een der belangrijkste middelpunten van het spoorwegverkeer in ons land. In het N. wordt zij begrensd door de Zuiderzee en Noord-Holland (Gooi), in het W. door Zuid-Holland, in het Z. door Zuid-Holland en Gelderland en in het O. door Gelderland. Alleen in het W. en ten deele in het N. mist zij natuurlijke grenzen, die overigens gevormd worden door de zee in het N., de Geldersche Vallei in het O. en den Rijn-Lek in het Z. Deze natuurlijke grenzen waren echter nergens van zulke beteekenis, dat zij de provincie van het omringende land isoleerden, zoodat zij

Wapen van de provincie Utrecht.

dan ook van het O. uit van tijd tot tijd door de Gelderschen overstroomd werd, terwijl van het W. en N. uit de Hollandsche graven er hun gebied en invloed trachtten uit te breiden. Meer dan eens was dit gewest een twistappel tusschen Gelderland en Holland, en vooral de grenzen tegen laatstgenoemd gewest veranderden in den loop der geschiedenis herhaaldelijk.

Bodemgesteldheid. Hoewel men kan zeggen, dat de bodem in het algemeen van het 2. O. naar het N. W. daalt, vormt Utrecht, wat zijn bodemgesteldheid betreft, geen aardrijkskundig geheel, maar wordt het beste in een O. en een W.helft verdeeld, waarvan de eerste een Geldersche (Veluwsche), de laatste een Zuid-Hollandsche natuur bezit. Ten W. van de Geldersche Vallei strekt zich door de provincie van den Heimenberg aan den Rijn ten O. langs Driebergen en Zeist naar het N. W. en verder langs 's Gravenland en Huizen in het Gooi (zie aldaar) meer in N. lijke richting ombuigend een hooge zand- en grintrug uit, de Utrechtsche en Stichtsche heuvels geheeten. In het Z. is deze heuvelrij het meest aaneengesloten, terwijl in het N. de heuvels meer geïsoleerd liggen. De Heimen- of Grebbenberg rijst ter hoogte van 40 m. steil uit de Geldersche vallei op en wordt aan zijn voet bijna onmiddellijk door den Rijn bespoeld. Daarop volgen de Lijstering (52 m.) bij Renen, de Buurdscheberg (67 m.), de Elsterberg (66 m.), de hoogten van Amerongen (66 m.), de Darthuizerberg (49 m.), de hoogten van Maarsbergen (49 m.), de Pyramide van Austerlitz (65 m.), een kunstmatige heuvel, de Soesterbergen (64 m.), de Galgenberg (40 m.), de Lazarusberg (20 m), terwijl buiten de provincie, in het Gooi, de grootste hoogte, ten Z. van Huizen, 32 m. bedraagt. In het Z., tot De Bilt, daalt van de hoogste heuvelrij het terrein aan beide zijden af tot een smallen zoom van 10—25 m. en dit terrein wordt weer omringd door een strook van 5—10 m. In het Z. van dit gebied, ongeveer tot Driebergen, vormt de heuvelrij de waterscheiding tusschen het gebied der Geldersche Vallei en den Krommen Rijn, aan welken kant ook de helling des terreins het steilst is, terwijl ook verder N. waarts de waterscheiding het dichtst naar den westkant ligt.

Terwijl zich ten O. der heuvelrij, als een breed, in het N. trechtervormig verwijdend dal van den Rijn tot de Zuiderzee de Geldersche vallei (zie aldaar) uitstrekt, ligt ten W. ervan een terrein, dat zich oro- hydrografisch door niets van het aangrenzende Hollandsche Polderland onderscheidt. Van de grootste hoogten in het O., die van Renen tot Soesterberg ruim 60 m. zijn, daalt de bodem W. waarts snel tot een hoogte van 25—30 m. en van hier naar den Krommen Rijn verder met een drietal strooken van 10—25, van 5—10 en van 1—5 m. Ongeveer langs de lijn Vreeswijk— Hilversum ligt de bodem bijna gelijk met A. P., om verder W. waarts onder dit peil te dalen, evenals zulks in het N. der Geldersche vallei het geval is.

In verband met de lage ligging is het Eemland in polders verdeeld, die samen eenige waterschappen vormen en rechtstreeks op het buitenwater loozen met of zonder stoomgemalen, terwijl slechts enkele polders het water vooraf op een boezem moeten opmalen. Ook ten W. der lijn Kuilenburg—

Sluiten