Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Houten—Maartensdijk—Hilversum is alles polderland, dat tot verschillende boezems behoort. De voornaamste daarvan zijn: de Vechtboezem, die in hoofdzaak uit de Vecht bestaat en door een groote zeesluis bij Muiden op de Zuiderzee loost, de boezem van Amstelland, die tal van vaarten en wateren omvat, echter grootendeels buiten Utrecht ligt, het hoogheemraadschap Woerden ten Z. ervan, waartoe een deel van den Ouden Rijn en eenige andere wateren behooren. De Loopikerwaard loost grootendeels op het gesloten bovendeel van den Hollandschen IJsel, het Z. deel echter op den Vlietboezem. De polders ten O. vandenVaartschen Rijn loozen grootendeels op de Schalkwijksche wetering, terwijl het stadswater van Utrecht eveneens een boezem vormt.

Grondsoorten. De hoogere O. helft der provincie bestaat overwegend uit diluviaal zand in de meer vlakke en grint in de heuvelachtige deden. Een klein gedeelte daarvan ligt woest, her grootste deel is met heide bedekt (vandaar schapen- en bijenteelt) of draagt bosschen, zooals de Baarnsche, Doornsche, Zeister en Amerongsche bosschen. Gedeeltelijk is de zandgrond voor landbouw in gebruik, waarmede dan steeds, ter wille van de mest, veeteelt verbonden is. De heuvelstreek heeft een mooie natuur en lokt daardoor des zomers vele vreemdelingen aan. Terwijl ten Z. van Baarn eenig hoogveen ligt, dat reeds sedert de 13de eeuw ontgonnen wordt, vindt men in de Geldersche vallei laagveen langs de Grift, waar Venendaal als laagveenkolonie ontstond, alsook ten Z. van Bunschoten. Verder bestaat de bodem van het Eemland uit lage zeeklei, die ten deele niet eens door den Eemdijk beschermd en voor wei- en hooiland in gebruik is. De lage W. helft van Utrecht bestaat uit laagveen, dat langs de oude Rijnarmen: Krommen Rijn, Ouden Rijn, Vecht, alsook langs Hollandschen IJsel en Lek met breede strooken rivierklei is bedekt. Door vervening ontstonden ter weerszijden van de Vecht groote plassen, en waar deze drooggelegd zijn, bestaat de bodem uit oude zeeklei. In dit gedeelte der provincie is veeteelt met zuivelbereiding hoofdzaak en de landbouw beperkt tot de rivierklei tusschen Vaartschen en Krommen Rijn, die hooger ligt en op zandgrond rust.

Wateren. De provincie Utrecht wordt begrensd en doorsneden door verschillende takken van den Rijn; vooreerst valt op de Z. grens de Rijn zelf te noemen, die bij Wijk bij Duurstede den naam Lek aanneemt. Van hier gaat de Kromme Rijn naar Utrecht, eenmaal vermoedelijk de voornaamste afvoerweg van het Rijnwater, thans een kanaal, dat nog slechts door een duikersluis met den Rijn in verbinding staat. Van Utrecht gaan de gekanaliseerde Oude Rijn W. waarts en de Vecht N. waarts. Ook de Hollandsche IJsel, eenmaal een tak van de Lek, is zoowel van de Lek afgesloten door een dam met duikersluis (Klaphek), als bij Gouda door een dam met schutsluis.De eenige vrij afstroomende rivier naast Rijn-Lek is de Eem, die bij Amersfoort uit verschillende, hier door sluizen afgesloten Geldersche beken gevormd wordt. De Vaartsche Rijn is een gegraven waterweg, reeds in de 13ae eeuw aangelegd om de stad Utrecht met de Lek te verbinden; hij vormt thans een deel van het Merwedekanaal, dat ten W. van

Nichtevecht in de provincie komt en ten W. van Vreeswijk door de Koninginnesluis met de Lek in verbinding staat. De binnenvaart naar Amsterdam gaat van Nieuwersluis langs de Nieuwe Wetering, den Angstel, het Gein (Abcoude), de Holendreeht en de Bullewijk, naar den Amstel. Ook de Grecht, Kromme Mijdrecht, Bijleveld en de Heikop dienen nog voor de scheepvaart, terwijl verschillende andere wateren in de eerste plaats voor de afwatering of de inundatie tot verdedigingsdoeleinden bestemd zijn.

Bevolking. Decentrale ligging der provincie en het gemis van volkenscheidende natuurlijke grenzen hadden ten gevolge, dat zij evenmin ethnografisch als aardrijkskundig één geheel vormt en de bewoners zich door niets van hun naburen onderscheiden. Al vroeg werd het W. der provincie door de Friezen, later het Z. door de Franken in bezit genomen.

Wat de bevolkingsdichtheid betreft, ligt het voor de hand, dat op de dorre zand- en grintgronden in het O. geen aanzienlijke centra van bevolking konden ontstaan. Alleen op de grens bij Venendaal gaf de nijverheid tot een verdichting der bevolking aanleiding, terwijl aan de samenkomst van eenige beekjes Amersfoort ontstond. Nabij de grens van het hoogere en lagere deel der provincie ontstond een reeks aanzienlijke dorpen, doch kwam slechts één plaats van groote beteekenis tot ontwikkeling, de stad Utrecht, gunstig gelegen aan de splitsing van den (Krommen) Rijn in zijn toenmalige twee lioofdarmen, zoodat het evenzeer uit een handels-, als uit een strategisch oogpunt in den Romeinschen tijd groote beteekenis bezat. En terwijl de plaats door de verandering van den loop der rivieren haar beteekenis als handelsmiddelpunt ten deele verloor, kreeg zij daarvoor vergoeding doordat de centrale ligging haar deed kiezen tot hoofdplaats van een bisdom en zetel van een kerkvorst. Naast Utrecht kon geen tweede centrum tot ontwikkeling komen, zoodat men wel in het Z. W. en langs de Vecht op de kleigronden een groot aantal niet onbelangrijke plaatsen aantreft; zij waren echter nooit iets anders dan flinke landbouwdorpen.

Het totale bevolkingscijfer der provincie bedroeg in 1910: 289118, n.1. 141734 mannen en 147 384 vrouwen. Dit cijfer bedroeg in:

1822 111240

1830 132 359

1860 159 776

1870 174 589

1890 221 007

1900 251034

1905 272 913

1910 289118

Naar den godsdienst onderscheidde men volgens de voorlaatste volkstelling: 134 647 Nederd. Hervormden, 2 339 Christelijk Gereformeerden, 1088 Doopsgezinden, 2 857 Evang. Lutherschen, 18 966 leden der Gereformeerde kerken, 83 069 Roomsch-Katholieken, 1 737 Oud-Roomschen en 1 435 Israëlieten.

V oor tbr eng s el en en Middelen van best aa «.Veeteelt, hooibouw en zuivelbereiding spelen onder de bestaansmiddelen de hoofdrol, bepaaldelijk in de lage W. helft en in het Eemland,

Sluiten