Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

museum van oudheden van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, het aartsbisschoppelijk museum, het museum Kunstliefde, en het museum voor kunstnijverheid enz. Verder zijn er een aantal liefdadige instellingen, als ziekenhuizen, weeshuizen en tehuizen voor oude mannen en vrouwen.

Een bepaalde tak van handel of nijverheid treedt te Utrecht niet op den voorgrond. Men vindt er o. a. een suikerfabriek, een bierbrouwerij, een fabriek voor stoomwerktuigen, ijzerfabrieken, sigarenfabrieken, een zinkpletterij, een asfaltfabriek, smederijen, fabrieken voor natuurkundige instrumenten en muziekinstrumenten, een lijstenfabriek, drukkerijen, leerlooierijen, een mineraalwaterfabriek, zout-, zeep- en azijnfabrieken, steenfabrieken en bleekerijen. Beroemd zijn de werkplaatsen van den orgelfabrikant Maarsclialkerweerd, de ateliers voor kerkelijke kunst van Mengelberg en Brom, voor glasschilderkunst van Getier, De Vos en Löhrer en de beide zilverfabrieken van de firma's C. J. en C. L. J. Begeer. Te Utrecht worden drukke weekmarkten, paardenen veemarkten gehouden; vooral de Palmpaardenmarkt is zeer bekend. Ten O. der stad ligt de beroemde Maliebaan, 1000 schreden lang en beplant met zes rijen zware lindeboomen, een der mooiste lanen van ons land. Oorspronkelijk (1637) aangelegd als kolfbaan (het maliënspel der studenten), is zij thans ter weerszijde ingesloten door statige woonhuizen en vormt zij met haar zes lanen de geliefkoosde wandelplaats der bevolking. De omstreken van Utrecht zijn overal mooi en rijk aan afwisseling. Onder de wandelwegen staan die naar De Bilt en Zeist bovenaan.

Utrecht is een oude stad. Waarschijnlijk heeft het zijn ontstaan te danken aan een sterkte, die de Romeinen, nabij een Germaansclie wijk stichtten. In de 4de eeuw n. Chr. was het onder den naam Ultrajectum of Trecht bekend. In de 5de eeuw was Utrecht in handen van Saksen en Friezen. Na de verovering door de Franken (tusschen de jaren 622—632) stichtte Dagóbert I aldaar een kapel. Later werd de stad door de Friezen onder hun koning Radboud opnieuw veroverd en verwoest, onder Pepijn van Herstal werd zij weer Frankisch, in 714 opnieuw Friesch, in 733 weer Frankisch. Omstreeks 697 vestigde Willebrord er een bisschopszetel en bouwde de kerken St. Maarten en St. Salvator, waardoor de stad het middelpunt werd voor de uitbreiding van het Christendom. In 866 of 857 werd zij door de Noormannen verwoest, omstreeks 920 voorzag bisschop Balderik haar van muren en wallen. In dezen tijd kreeg zij van den keizer verschillende privilegiën o. a. het recht van munt. De verwoesting van Wijk bij Duurstede door de Noormannen had tengevolge, dat Utrecht meer en meer een middelpunt voor handel en verkeer werd. Waarschijnlijk ontstond in dezen tijd een nieuw stadsgedeelte, ten W. van den burcht, dat misschien Uit-trecht (buiten Trecht) genoemd werd, waaraan volgens sommigen de stad haar naam ontleent. Behalve de burcht van den keizerlijken burggraaf vond men te Utrecht een pallatium van de Duitsche keizers, waar zij in de llde en 12de eeuw dikwijls resideerden. In 1059 overleed keizer Koenraad II, in 1125 keizer Hendrik V aldaar, in 1296 werd Floris V in de nabijheid van Utrecht vermoord. De geschil¬

len en oorlogen, tusschen de stad en haar bisschoppen, die in dezen tijd een aanvang namen, waren de oorzaak dat de handel, zich meer en meer naar Amsterdam, Dordrecht en Vlaanderen verplaatste. Deze geschillen waren een gevolg van het streven naar onafhankelijkheid, dat door de bisschoppen zooveel mogelijk werd onderdrukt. Zoo voerde de stad o. a. een heyigen strijd met bisschop David van Bourgondië, die haar aanvankelijk in toom wist te houden, doch haar na den dood van Karei den Stoute vele voorrechten moest toestaan. In 1483 echter werd zij door keizer Maximiliaan tot volledige onderwerping gebracht. De strijd eindigde daarmede, dat bisschop Hendrik van Beieren in 1528, met toestemming van den paus, zijn wereldlijke macht aan Karei V afstond, waardoor de stad haar zelfstandigheid voor goed verloor. Karei V ontnam den stedelijken magistraat alle zelfstandigheid en richtte in 1540 den „Vredenburg" op, die diende om de burgers in toom te houden. In 1577 schaarde Utrecht zich, na de verwoesting van dezen burcht, aan de zijde van prins Willem, in 1579 werd aldaar de Unie van Utrecht gesloten. In 1636 werd door de Staten van Utrecht, de 2 jaar te voren ingewijde Illustre school, in een lioogeschool veranderd, die tot 1672 in de Domkerk bleef gevestigd. In 1815 werd deze inrichting tot rijksuniversiteit verheven. In 1672 werd de stad door de Franschen veroverd, die haar zware schattingen oplegden. Na het vertrek van de Franschen gelukte het haar eerst ten koste van eenige opofferingen weer in de Unie te worden opgenomen, daar de andere provincies haar van verraad beschuldigden. In 1713 maakte de Vrede van Utrecht een einde aan den Spaansclien Successieoorlog. In 1784 was de stad op de hand van de Patriotten, wier generaal Rijngraaf van Salm er tot 1787 resideerde, doch bij de nadering der Pruisen snel vertrok. In 1830 werden de oude vestingwerken geslecht, waarna de stad snel in grootte toenam.

Utrecht, Adriaen van, een Vlaamsch stillevenschilder, werd geboren te Antwerpen in 1599 en overleed aldaar in 1652. Hij was een leerling van Harmen de Neyt. Hij maakte reizen naar Frankrijk, Italië en Duitschland, waarna hij in 1625 in liet St. Lucasgilde te Antwerpen trad. Voornamelijk schilderde hij wild en gevogelte, visschen, bloemen en vruchten. Rubens, Jordaens, T'miers e. a. stoffeerden zijne werken met figuren, _ terwijl hij op zijn beurt vruchten en bloemen in hun werken schilderde. Zijn schilderijen zijn krachtig van kleur. Hier te lande bezit o.a. het Rijksmuseum te Amsterdam een werk van zijn hand.

Utrecht Dresselhuis, Johannes ab, een Nederlandsch geschied- en oudheidkundige, geboren te Kampen den 30sten September 1789, studeerde te Utrecht in de godgeleerdheid en was achtereenvolgens predikant te Hoofdplaat en te Wolfaartsdijk (1819). Verder was hij schoolopziener, lid der Synodale Commissie, revisor van de nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament, lid van het Zeeuwsch, Noord-Braban tsch en Utrechtsch Genootschap en van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden enz. De Senaat der Groninger universiteit benoemde hem in 1852 eershalve tot doctor in de theologie. Van zijn werken vermelden wij: „Het district Sluis in Vlaanderen" (1819),

Sluiten