Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dra) in Griekenland in en omstreeks 157 v. Chr. bracht Scipio Nasica het te Rome. Ook olieuurwerken en zandloopers, berustend op hetzelfde beginsel, werden druk gebruikt.

In onzen tijd maakt men in de uurwerken bijna uitsluitend gebruik van het isochronisme van slingeringen. Tusschen twee opeenvolgende standen van een slingerend lichaam verloopt namelijk steeds dezelfde tijdsduur. Zij zijn dus bij uitstek geschikt voor dit doel, daar immers het uurwerk in beginsel berust op een eenparige beweging. Als slingerend lichaam gebruikt men öf den zoogenaamden physischen slinger, öf een spiraalveer, verbonden met een drijf-, kroon- of kamrad, onrust genaamd. Deze slingerende bewegingen worden nu omgezet in de beweging van wijzers

Fig. 1.

of van plaatjes, welke getallen, die den plaatselijken tijd ineens (in uren en minuten samen) aangeven, dragen. Naar den aard van het slingerend voorwerp onderscheidt men slingeruurwerken, waartoe alle vastopgestelde uurwerken, zooals torenuurwerken, sterrenklokken enz. behooren, en onrustuurwerken, waartoe alle vervoerbare uurwerken, zooals wekkers, zakhorloges, chronometers enz. behooren.

Aangezien echter iedere slingerende beweging, aan zichzelf overgelaten, door wrijving tot rust komt, terwijl bovendien de wrijving der raderen in het uurwerk zelf moet worden overwonnen, is er een drijvende kracht noodig, welke de beweging gaande houdt. Deze kracht kan op verschil¬

lende wijzen geleverd worden. Reeds in de Middeleeuwen maakte men gebruik van vallende gewichten, waardoor echter het uurwerk aan een bepaalden stand gebonden is, terwijl zijn gang, door de afwisselende grootte van de zwaartekracht, afhangt van de standplaats; daarom begon men al in het midden der 15de eeuw het arbeidsvermogen van een gespannen spiraalveer te gebruiken. Ofschoon zij het nadeel heeft van een niet standvastige kracht te leveren, maakt zij de uurwerken onafhankelijk van stand en standplaats. Eindelijk wordt sedert 1839 de e 1 e c t r i c i t e i t als drijvende kracht gebezigd.

Beschouwen wij thans het uurwerk als geheel. Het bestaat in hoofdzaak uit vier verschillende deelen: het drijfwerk, het loopwerk, het echap¬

pement en den regulator, van een aryjwerh, mei vallend gewicht geven figuur 1 en 2 een afbeelding. De dalende beweging van het gewicht A wordt

Fig. 2.

overgebracht op de trommel B. Is het gewicht in zijn laagsten stand aangekomen en het uurwerk dus afgeloopen, dan wordt het door draaiing van de as a in tegengestelden zin weder opgewonden. De draaiende beweging van de trommel B, veroorzaakt door het dalen van het gewicht A, wordt door het met B verbonden trommelrad zoodanig op de tandraderen van het loopwerk — dat is het tusschen drijfwerk en schakelrad ingeschakelde raderwerk — overgebracht, dat steeds een tandrad grijpt in een drijfrad, dat weer het op zijn asjjbevestigde tandrad medevoert. Zoo grijpt bijv het trommelrad C in het drijfrad D (fig.2), dat weer het tandrad E meeneemt enz. In tusschen zou de dalende beweging van het gewicht alleen niet in staat zijn om het uurwerk een langzame en eenparige beweging te geven. Daartoe dient het met den regulator in verbinding staande echappement. In het geval, waarvan de figuren een afbeelding geven, bestaat het uit het anker N, dat in het

Sluiten