Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maaluurwerk komenden stroom worden gelijk gezet, ingeval zij in aanwijzing met die van het normaaluurwerk verschillen. In de tweede plaats behooren daartoe de synchrone uurwerken. Bij deze werkt de electrische stroom, die van het normaaluurwerk komt, rechtstreeks op de slingers van de bijuurwerken, waardoor een vrijwel volkomen synchronisme der slingeringen bereikt wordt. Figuur 13 geeft van de opstelling een schematische afbeelding. Bij den slinger A van het normaaluurwerk is een contact J aangebracht. Telkens wanneer de slinger zijn uitersten stand naar links bereikt heeft, wordt dus de stroomloop gesloten. Bij eiken slinger B, B, enz. der bijuurwerken bevindt zich een electromagneet b, bj enz. op zoodanigen afstand, dat deze slinger met het daaraan bevestigde anker c-, Cj enz. in zijn uitersten stand juist boven den poolschoen van den electromagneet komt. Telkens als nu bij J de stroom

Fig. 13.

Synchrone-uurwerken.

gesloten wordt, oefenen deze electromagneten een aantrekkende werking op de bijbehoorende ankers uit. Bevindt zich een slinger in een bijuurwerk op dat oogenblik nog niet in zijn uitersten stand en is hij dus, bij A vergeleken, achter, dan wordt hij door de aantrekking als het ware versneld. Is hij dien stand gepasseerd en is hij dus reeds op den terugweg naar rechts, dan houdt de aantrekkende werking hem als 't ware tegen en wordt hij vertraagd. Op deze wijze worden de slingeringen van de bijuurwerken synchroon gehouden met die van het normaaluurwerk. Treedt er in de electrische installatie een storing op, dan loopt ieder bijuurwerk als zelfstandig uurwerk en mist het alleen de correctie op zijn gang van uit het normaaluurwerk. Dit beginsel der synchronisatie is door Steinheil aangegeven en vooral door Jones (1865) verder ontwikkeld. Het stelsel, waaraan dit beginsel ten grondslag ligt, is het beste, wanneer het te doen is om nauwkeurige tijdaanwijzingen. Het wordt vooral gebruikt bij openbare uurwerken met secondenwijzers, die in verschillende groote steden en in havenplaatsen zijn opgesteld.

Een eenigszins gewijzigd stelsel (Morawetz en Reithoffer) is sedert 1908 te Weenen in gebruik. Daarbij sluit het contact J. (fig. 13) wel een electrischen stroom, maar deze doorloopt niet de electromagneten der bijuurwerken. Hij dient slechts

om een inductor te voeden. De door dezen geleverde electrische golven worden, door een op hooge masten gespannen, horizontale antenne, uitgezonden. Deze worden op de plaatsen, waar de tijdaanwijzing zal plaats hebben, door een antenne opgevangen, waardoor met behulp van een relais een locale batterij wordt ingeschakeld, die een groep van 25 bijuurwerken drijft op de zooeven aangegeven wijze. Daar dus iedere groep van bijuurwerken (onderstation) zijn eigen batterij heeft, kan een onbeperkt aantal bijuurwerken worden aangesloten, waartoe het vorige, meer eenvoudige stelsel, zich niet leent. Te Weenen zijn thans 50 onderstations met een aantal aansluitingen van 6300 bijuurwerken ontworpen. Het plan bestaat om deze installatie over een kring van 150 km. straal uit te breiden. Bij ons te lande is te 's Gravenhage een concessie aanvrage voor zulk een electrisch uurwerkbedrijf ingediend.

De aanwijzing van den tijd geschiedt in alle uurwerken door ijzers, welke over een wijzerplaat loopen. Oorspronkelijk had men slechts één wijzer, zooals thans nog met oude torenuurwerken het geval is. Hij loopt eenmaal in twaalf uur rond en wijst de uren nauwkeurig aan. Halve uren konden met vrij groote zekerheid, kleinere intervallen tusschen twee opeenvolgende geheele uren slechts bij benadering geschat worden. Later heeft men naast den uurwijzer den minutenwijzer ingevoerd, terwijl op kleinere uurwerken ook secondewijzers voorkomen. De uurwijzer loopt eenmaal in 12 uur, de minutenwijzer eenmaal in 1 uur rond. Om dit te bereiken, moet zich dus de minutenwijzer 12 maal zoo snel bewegen als de uurwijzer. Bovendien moeten zij om eenzelfde punt als middelpunt draaien. Dit laatste bereikt men, door den uurwijzer te bevestigen op een busje als as, terwijl de as van den minutenwijzer door de holte van dit busje en concentrisch er mede gestoken is. Het onderscheid in snelheid wordt verkregen door de verhouding van het aantal tanden van tand- en drijfrad bij den minutenwijzer 12 maal zoo klein te nemen als bij den uurwijzer. Bij groote uurwerken schakelt men voor de wijzers gewoonlijk een afzonderlijk drijfwerk in, dat door het loopwerk ontkoppeld wordt en dat op zijn beurt het slagwerk ontkoppelt. De eerste ontkoppeling geschiedt in den regel van minuut tot minuut; de wijzers worden alsdan niet regelmatig, maar sprongsgewijze voortbewogen. De vervaardiging van uurwerken geschiedt thans bijna uitsluitend in fabrieken. Bij die van zakuurwerken staat in Europa Zwitserland boven aan. Hier zijn Genève, Le Locle en La chaux-deFonds de middelpunten van deze nijverheid. Daarnaast neemt zij in Engeland, waar Londen, Birmingham, Liverpool, Manchester en Coventry de voornaamste middelpunten zijn, een belangrijke plaats in. In Duitschland ontwikkelde deze nijverheid zich in de eerste plaats in het Zwarte Woud, waar zij in het midden der 18de eeuw tot grooten bloei kwam. Ook in Baden, Württemberg, Saksen en Silezië komt zij voor. Grootere veeruurwerken worden vervaardigd te Parijs, Weenen, Praag, Graz, Augsburg, Berlijn en te Lalin in Silezië. Na 1853 heeft de vervaardiging van slinger- en zakuurwerken in de Vereenigde Staten van N. Amerika zich vooral ontwikkeld te Waltham (Massachusetts) en Elgin (Illinois). Deze plaatsen leveren producten,

Sluiten