Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mee een vaartuig zich voortbeweegt. Deze hangt af van verschillende factoren, in de eerste plaats van de beweegkracht, waardoor het vaartuig wordt bewogen, verder van den vorm van den romp, van de strooming, de windrichting enz. De snelheid wordt gemeten met de log (zie aldaar). Dikwijls wordt deze uitgedrukt in zeemijlen.

Vaartsche Rijn is een kanaal, dat Utrecht met de Lek bij Vreeswijk verbindt, een onderdeel van de Keulsche Vaart en later ten deele gebruikt voor het Merwede-Kanaal. Het kanaal werd in 1148 gegraven, om, bij de toenemende aanslibbing van den Krommen Rijn, Utrecht met de Lek te verbinden, waartoe zich bij Vreeswijk schutsluizen bevinden, terwijl het kanaal in Utrecht in vrije verbinding staat met het stadswater en door een schutsluis, gezamenlijk met den Krommen Rijn op de Vecht loost. Het kanaal }s 11800 m. lang en heeft een geringe strooming naar Utrecht toe; de diepte bedraagt 1,25—1,35 m.

Vaas, van het Latijnsche woord vas (vat), is de naam van een soort beker, pot of urn uit leem, porselein, glas, marmer, albast, metaal of een andere stof vervaardigd, die meer tot versiering dan tot praktische doeleinden wordt gebruikt. In de Oudheid vervulden zij de rol van ons aardewerk en werden gebruikt om er vloeistoffen of andere stoffen in te bewaren, om er uit te drinken, om er mee te scheppen enz. Ook werden zij dikwijls als wijgeschenk gebruikt, vooral voor graven en tempels. In den aanvang der 18de eeuw werden inzonderheid in Etrurië (te Volei, Tarquinii enz.) zeer vele beschilderde leemen vazen gevonden, die men aanvankelijk voor een Romeinsch fabricaat hield en die men den onjuisten naam van Etruscisclie vazen gaf. Toen men later een menigte opdolf in de begraafplaatsen van Campanië (te Nola, Cumae, Paestum, Sant' Agatadei Goti, Avella, Capua enz.), Apulië en Lucanië (Ruvo, Bari, Ceglie, Anzi, Armento, Canossa, Locri), alsmede in Sicilië, kwam men op het denkbeeld, dat zij van Griekschen oorsprong waren. Deze meening werd tot zekerheid, toen men op Griekschen bodem dezelfde voorwerpen in grootere hoeveelheid en grootere verscheidenheid aantrof. Men vond ze inzonderheid te Athene, Korinthe, in Argolis, Boeotië en op Rhodos, Melos, Thera, Kreta en Euboea. Van uit Griekenland werden dergelijke voorwerpen niet alleen naar Italië maar ook naar de Grieksche koloniën uitgevoerd, zoodat zij zoowel in den Krim, als op de noordkust van Afrika worden aangetroffen.

Uit de vazen, die te Athene zijn gevonden, kan men het best de bestemming nagaan. De grootste, die tot het bewaren van vloeistoffen werden gebruikt, waren dikwijls zonder eenige versiering. Sommige werden tot aan den rand in de aarde ingegraven. De stamnos was een draagbare vaas met twee horizontale handvatten, die voor wijn en andere vloeistoffen werd gebruikt, andere dergelijke voorwerpen waren de amphora (zie aldaar), de hydria, die voor het halen van water diende en op het hoofd werd gedragen, en de krater, waarin wijn met water werd vermengd. Voor het scheppen en inschenken diende de oinochoe, voor het drinken gebruikte men bekers, zooals den kantharos en den skyphos, of schalen, zooals den kylix. Voor het bewaren van zalfolie diende de lekythos

of de pyxis. Lekythen zijn in een aantal graven gevonden. Ook vindt men wel vazen, die alleen tot versiering gediend hebben. In Italië ontstond later een eigen aardewerkindustrie, die zich aanvankelijk bij de Grieksche voorbeelden aansloot, doch vervolgens haar eigen weg ging. In overeenstemming daarmee onderscheidt men origineele Grieksche vazen, Italiaansche nabootsingen en oorspronkelijk Italiaansch werk. De ontwikkeling van het versieren van de vazen kan men van ae oudste tijden tot aan het tijdperk van het verval van deze kunst (3de eeuw v. Chr.) nagaan. Zij staat in nauw verband met de ontwikkeling van de ornamentiek.

Doordat op deze vazen voorstellingen uit het godsdienstig, huiselijk, maatschappelijk leven, uit het krijgsleven, afbeeldingen van goden en helden enz. weergegeven zijn, zijn zij voor de kennis van de Oudheid van het hoogste belang. Uit de oudste tijden (+ 3 000 v. Chr.) zijn zwarte, bruine of roode, dikwijls glad gepolijste, uit de hand vervaardigde vazen uit Troje, Cyprus, de eilanden der Egeesche Zee en uit verschillende plaatsen van Griekenland tot ons gekomen. Daarna bloeide de aardewerkindustrie op Kreta; het leem werd uitstekend behandeld en kreeg een fraaie, lichtgele kleur, aan de vormen werd veel zorg besteed. In dezen tijd vond men de kunst uit het aardewerk met een fijne glazuurlaag te bedekken. Uit de oudste Kretasche periode is het zoogenaamde kamareswerk afkomstig, bij welk werk de ondergrond glad en donker, de versiering mat en licht is. Bij de werken uit de jongste Kretasche periode is de ondergrond licht, de versiering donker. De motieven voor de versiering zijn meest aan planten, zeewieren, zeesterren, polypen enz. ontleend. Op de Kretasche periode, ook wel Mykeensche periode geheeten, daar vooral in Mykenae vele dergelijke voorwerpen gevonden werden, volgde de geometrische stijl met rechtlijnige versieringen. Deze kwam op verschillende plaatsen tot bloei, vooral in Attika (dipylonvazen) en Thera, doch kon den Mykeenschen stijl niet geheel verdringen. Nieuwe motieven ontstonden door het verkeer met het Oosten; zij bestaan hoofdzakelijk uit strepen met afbeeldingen van dieren, gescheiden door rozetten en andere figuren. In dezen tijd begon men ook met de afbeeldingen van menschen. De figuren zijn donker, de ondergrond licht. De kunst bloeide vooral in Korinthe, Ionisch Klein-Azië, Kreta, Chalkis en inzonderheid te Athene. Het Attisch leem kreeg door toevoeging van roodijzersteen een fraaie, warme, geelroode kleur, het zoogenaamde vernis kreeg een prachtigen glans, de teekeningen zijn fijn en sierlijk. Het Atheensch aardewerk vertoont vele voorstellingen, ontleend aan mythologische sagen.

In het laatst van de 6de eeuw v. Chr. ontstond een nieuwe wijze van versiering. Men bedekte toen namelijk den ondergrond met zwart, zoodat daarop de figuren, die vooraf waren geteekend, in de roode kleur van het aarnewerk te voorschijn kwamen. In de figuren werden dan de draperieën en de overige teekening in lijnen aangebracht. Dikwijls werden tooneelen uit het dagelijksch leven nagebootst. De eerste bloeiperiode van dezen stijl valt tijdens de Perzische oorlogen. Uit dezen tijd zijn de namen van Euthynides, Euphronios, Duris

Sluiten