Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juli van dat jaar te Weenen, waar liij den titel van Hofraad ontving, en in 1874 te Berlijn. In 1895 wérd hij secretaris van de Academie van Wetenschappen, yan zijn werken noemen wij: „Ennianae poësis reliquiae ' (1854), „Naevii de bello Punico reliquiae" (1854), „Conjectanea ad Varronem" (1858), „Analecta Noniana" (1860), „Beitrage zu Aristoteles' Poetik" (4 dln., 1865—1867), „Aristotelis poëtica" (1868), Aristotelische Aufsatze"(3 dln., 1872—1874), „Hermeneutische Bemerkungen zu Aristoteles' Poetik" (1898), „De legibus" van Cicero (1871, 2d<= druk 1883), „Fragmenta" van Ulpianus (1856), ,-Laurentii Vallae opuscula tria" (1869), „Lorenzo \ alla" (2de druk, 1870), „Lucilii saturarum reliquiae" (1876), „Lachmanns kleinere philologische Schriften" (1876), „Plauti Menaechmi" (1882), „Lachmanns Briefe an Moritz Haupt" (1892), de 4<ie en 5de druk van „Catul], Tibull, Properz" van Haupt (1879 en 1885), de 5de druk van „Horaz" van Haupt (1882) en de 2de druk van Jahns uitgave van „De sublimitate" van Longinos. Vahlens werken verschijnen sedert 1907 onder den titel „Opuscula academica."

Vaihingen (Vaihingena. d. Enz), een plaats in het Württembergsche Neckardistrikt, gelegen aan den Enz en een station van de spoorwegen Bretten

Friedrichshafen en Vaihingen—Sersheim—Enzweihingen, bezit een Evangelische kerk, een oud slot, een Latijnsche en een hoogere burgerschool, benevens borstelhoutjes-, lijm- en suikerwerkfabrieken, stoompannenfabrieken, houtzaagmolens en

steengroeven, ue plaats, weiKe de zetel is van een kantongerecht, telt (1905) 3098 inwoners, die, behalve de genoemde takken van nijverheid, de ooftteelt en den wijnbouw beoefenen. In den in Romaanschen stijl gebouwden „Haspelturm" zat de Zonnewaard van Ebersbach, bekend door Schiller en den roman van H. Kurz, gevangen.

Vaihingen (Vaihingen auf den Fildern), een plaats in het Württembergsche Neckardistrikt, gelegen op de vruchtbare hoogvlakte „Filder" en aan den spoorweg Stuttgart—Hochdorf, terwijl het eveneens door een spoorweg met Möhringen is verbonden, heeft een fraaie Evangelische kerk, een hoogere burgerschool en een groote tricotagefabriek (2500 arbeiders); verder heeft men er een fabriek van toestellen voor centrale verwarming en van chamotteartikelen, bierbrouwerijen enz. Het is een zeer geliefd ontspanningsoord voor de bewoners van Stuttgart en telt (1905) 4689 inwoners. In de nabijheid bevinden zich steengroeven.

Vaihinger, Hans, een Duitsch hoogleeraar in de wijsbegeerte, geboren den 25s<ea September 1852 te Nehren bij Tubingen, studeerde te Tubingen, Leipzig en Berlijn in de taalwetenschap en de godgeleerdheid, vestigde zich in 1877 als privaatdocent aan de hoogeschool te Straatsburg en werd aldaar in 1883 en in 1884 te Halle buitengewoon en in 1894 gewoon hoogleeraar. Van zijn hand verschenen: „Goethe als Ideal universeller Bildung"(1875), „Hartmann, Dühring und Lange"(1876), „Kommentar zu Kants Kritik der reinen Vernunft"(dl. 1 en 2,1881— 1892), „Zu Kants Widerlegung des Idealismus'Yin ue „Straszburger Abhandlungen zur Philosophie", 1884), „Naturforschung und Schule; eine Zurück'SfS d<?r Angriffe Preyers auf das Gymnasium" (1889), „Nietzsche als Philosoph''^116 druk, 1905) en „Die Philosophie in der Staatsprüfung"(1906). Als

één der beste kenners van Kant uit den tegenwoordigen tijd, geeft hij, sedert 1896 en met medewerking van anderen, op ongeregelde tijdstippen „Kantstudien' uit. Ook gelukte het hem op Kants honderdsten verjaardag een Kantvereeniging en een Kantstichting tot stand te brengen, welke prijsvragen uitschrijft.

Vaillant. Wallerant, een Hollandsch portretschilder, pastelteekenaar en graveur, werd geboren te Brussel in 1623 en overleed te Amsterdam in 1677. In 1637 was hij leerling van Ermasmus Quellinus te Antwerpen, in 1647 trad hij in het St. Lucasgilde te Middelburg. Omstreeks 1656 ging hij naar Frankfort, waar hij Prins Ruprecht van de Palts ontmoette. Van dezen leerde hij de techniek van het graveeren van zwartekunst-prenten, die de prins zich bij Ludwig von Siegen had eigen gemaakt. Tijdens de kroning van keizer Leopold I te Frankfort in 1658 maakte Vaillant een groot aantal portretten naar de toen daar aanwezige gezanten en andere voorname personen. Een van deze, de markies van Grammont, nam hem mede naar Parijs, waar hij vier jaar werkzaam was. Na 1662 woonde hij te Amsterdam als hofschilder van den Frieschen stadhouder Jan Willem Friso. Vaillant was in zijn tijd zeer gezocht, vooral als crayonteekenaar. Hij was ongetwijfeld een zeer handig portrettist, doch zijne schilderijen zijn minder krachtig dan zijne teekeningen. Op het gebied der zwarte kunst heeft hij een groote hoogte bereikt. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o.a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, terwijl o.a. het Prentenkabinet aldaar en Tevlers Museum te Haarlem teekeningen van hem bezitten.

Vaillant, Jean Fou. een Fransch munt- en

penningkundige, geboren te Beauvais den 248ten Mei 1632, studeerde eerst in de recht'n en daarna in de geneeskunde, en legde zich vervolgens toe op de studie van oude munten. Colbert belastte hem met verschillende zendingen naar Italië, Sicilië, Griekenland, Nederland, Engeland, Egypte en Perzië, op welke tochten hij belangrijke munten voor het kabinet van den koning verkreeg. Hij werd door zeeroovers gevangen en vertoefde gedurende eenigen tijd als gevangene te Algiers. In 1701 werd hij lid van de Académie des inscriptions en overleed den 23sten October 1706. Hij schreef: „Epistola ad totius Europae antiquarios, utrum Laurea Eumenio pacato concedenda"(1662), „Numismata imperatorum Romanorum etc."(1674), „Seleucidarum imperium etc." (1681,2de druk, 1732), „Numismata aurea imperatorum augustorum et caesarum in coloniis"(1688, 2de druk, 1697), „Numismata imperatorum augustorum et caesarum etc."(1701), „Historia Ptolemaeorum etc."(1701), „Nummi antiqui familiarum romanarum"(1703) en „Arsacidum imperium sive regnum Parthorum"(2 dln., 1725).

Vaillant, Francais, Le. Zie Levaillant.

Vaillant, Jean Baptiste Philibert, maarschalk van Frankrijk, geboren den 6aen December 1790 te Dijon, ontving zijn opleiding aan de polytechnische school, verliet deze als officier bij de genie, woonde de belegering van Dantzig bij, vergezelde in 1812 als adjudant-generaal Haxo op den veldtocht naar Rusland, werd in 1813 bij Kulm krijgsgevangen, nam gedurende de Honderd Dagen deel aan de versterking van Parijs en streed bij Ligny en Waterloo. Hij onderscheidde zich in 1830 als bataljonschef in Al-

Sluiten