Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1288 gewijd, met een 46 m. hoogen klokkentoren (El Miguelete, 1381—1418), de kapel de Nuestra Senora de los Desamparados, de kerk Santa Catalina (1688), de voormalige kerk van de Tempelheeren El Temple, het voormalige Dominicanerklooster, het aartsbisschoppelijk paleis, de Audiencia, de Gotische Lonja (1482—1488, thans de zijdebeurs) het voormalige belastingkantoor (1760, thans tabaksfabriek) en het Teatro Principal. Men vindt er gedenkteekens voor koning Jacob I van Arragon en den wijsgeer De Vivès. De plaats telt (1900) 213 560 inwoners. Van de verschillende takken van nijverheid noemen wij: een koninklijke tabaksfabriek (3600 arbeiders, meest vrouwen,) zijde-, fluweel- en lakenweverijen, handschoen- en waaier-, glas- en aardewerkfabrieken, ijzer- en bronsgieterijen. De handel is zeer levendig. De haven bevindt zich in de voorstad Vilanneva del Grao, aan den mond van den Guadalaviar. De invoer bedroeg in 1904 58,9 millioen, de uitvoer 73,5 millioen pesetas. De belangrijkste invoerartikelen zijn: tarwe (7,4 millioen pesetas), scheikundige produkten, vaten, guano en andere meststoffen, tabak, steenkool, oliezaden en stokvisch; de voornaamste uitvoerartikelen: wijn (23,8 millioen pesetas), oranjeappelen (16 millioen), uien (8,8 millioen) en andere groenten, rijst, versche vruchten, spiritualiën, saffraan en rozijnen. Valencia is de zetel van den kapitein-generaal van Valencia en Murcia, van den gouverneur, van een aartsbisschop, van een hooggerechtshof en van een handelsrechtbank. Het bezit (sedert 1410) een universiteit met een boekerij (50 000 dln.) en een botanischen tuin, een academie voor schoone kunsten, een seminarium voor priesters en één voor onderwijzers, een industrie- en een handelsschool, een aartsbisschoppelijke bibliotheek, een museum met ongeveer 1500 schilderijen, in hoofdzaak uit de Valenciaansche school (Ribalta, Ribera, Jmnes enz.), een strafinrichting voor 1500 gevangenen, een groot ziekenhuis met 1100 bedden en andere inrichtingen van liefdadigheid.

Valencia werd in 138 v. Chr. door D. Brutus in het land der Edetanen aangelegd en met hierheen overgebrachte Lusitaniërs bevolkt. Tegen het einde der 5de eeuw kwam het in het bezit der W. Goten, en na den val van het W. Gotische rijk in 715 in handen der Mooren. Aanvankelijk vormde Valencia een provincie van het rijk van Cordova; doch toen het rijk der kalifen verviel, verklaarde Moezeik, stadhouder van Valencia, zich in 1031 onafhankelijk. Na dien tijd was Valencia één der verschillende Moorsche koninkrijken van Spanje. In 1094 werd de stad door den Cid veroverd, maar kwam na zijn dood weder in de macht der Mooren, totdat Jacob I van Aragon het in 1238 veroverde; in 1319 werd Valencia voor goed met Aragon vereenigd. In 1609 had de stad met haar omstreken veel te lijden van de verdrijving der Morisken. In 1706 landden hier de Engelschen en Nederlanders, waarop de stad en het koninkrijk zich vóór Karei 111 verklaarden. In den Spaanschen Onafhankelijkheidsoorlog (1808—1813) kwam Valencia het eerst tegen de Franschen in opstand en verdedigde zich tot in 1811. Den 9d<:11 Januari 1812 werd de stad door Suchet ingenomen.

Valencia (vroeger Nueva Valencia del Rey, de hoofdstad van den staat Carabobo in Venezuela,

ligt in een uitmuntend bebouwde streek op 38 km. afstand van de haven Puerto Cabello, waarmede het door een spoorweg is verbonden en ten W. van het Tacarignameer. Het bezit een seminarium voor onderwijzers en telt ongeveer 40 000 inwoners. Zij houden zich bezig met de vervaardiging van wollen artikelen landbouwgereedschappen en machines en met den verbouw van suikerriet; ook drijven zij een levendigen handel.

Valenclameer, Laqo de Valencia of Tacarigua, een meer in Venezuela, ligt op de grenzen van de staten Carabobo en Miranda, 411 m. boven den zeespiegel. Het heeft een lengte van 45 km. op sommige plaatsen een breedte van 20 km., een diepte van ongeveer 70 m. en een oppervlakte van 550 v. km. Het meer, waarin talrijke eilanden liggen, wordt door een aantal hoogten omgeven, waardoor op verschillende plaatsen rivieren o. a. de Aragua heenbreken. Vroeger stond het meer soms met de Orinoco in verbinding, tegenwoordig bezit het geen afvloeiing. De waterstand was vroeger veel hooger dan tegenwoordig; de stad Valencia lag in de 16de eeuw slechts 2,5 km. van den westelijken oever verwijderd, thans bedraagt deze afstand meer dan 15 km.

Valenciennes, een arrondissementshoofdstad in het Fransche departement Nord, aan de samenvloeiing van de Schelde en de Ronelle en aan den Noorderspoorweg gelegen, bezit overblijfselen van oude vestingwerken, de kathedraal Notre Dame du St. Cordon, een kerk St. Géry, een stadhuis (1612) met monumentalen gevel, een groot ziekenhuis, benevens gedenkteekenen van Froissart, Watleau en Carpea-ux, alsook een zuil ter herinnering aan de verdediging van 1793. De plaats, welke (1906) 27 835 (als gemeente 31 759 inwoners telt, is de zetel van een gerechtshof, van een handelsrechtbank en van een agentschap der bank van Frankrijk. Zij bezit een lyceum, een college voor meisjes, een muziekschool, een academie voor schilders en beeldhouwers, een museum met talrijke werken der Vlaamsche school, een museum voor natuurlijke historie, een bibliotheek (40 000 dln.) een schouwburg en een beurs. De levendige nijverheid vervaardigt metaalwaren, ketels, buizen, kabels, stijfsel, zeep, perskolen enz., terwijl er ook suikerraffinaderijen, bierbrouwerijen en jeneverstokerijen worden aangetroffen. In de nabijheid van de Schelde liggen groote ijzer- en staalfabrieken, walswerken enz. De kantindustrie, welke hier vroeger bloeide, wordt nog alleen op kleine schaal in de omstreken uitgeoefend. In de nabijheid van de plaats liggen rijke steenkolenmijnen; het bekken van Valenciennes heeft een oppervlakte van 60 000 HA. Ook de teelt van suikerbieten en cichorei is in den omtrek van veel belang.

Valenciennes heette bij de Romeinen waarschijnlijk Valentinianae. Het was de standplaats van een Romeinsche cohorte. De Frankische koningen hadden er een palatium. Later werd deze stad toegekend aan Henegouwen, waarvan de graven er resideerden. In 1656 werd de stad door Twrenne tevergeefs belegerd, maar in 1677 door Lodewijk XIV ingenomen en bij den Vrede van Nijmegen (1678) aan Frankrijk afgestaan. In 1793 werd zij door de vereenigde Oostenrijkers en Engelschen onder den prins Van Koburg veroverd, maar in 1794 weder ontruimd. Den l«ten en 2aen Juli 1815 werd

Sluiten