Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Valerianeeën is de naam van een tweezaadlobbige plantenfamilie. Zij omvat eenjarige of overblijvende kruiden met een opgaanden of gewonden stengel, wortelbladeren en tegenovergestelde stengelbladeren, die enkelvoudig samengesteld, zittend of gesteeld en zonder steunbladeren zijn, en met volkomen of door vergroeiing éenslachtige, meestal in bijschermen gerangschikte bloemen. De kelk vormt op het onderstandig vruchtbeginsel een zoom, welke in 3 of 4 gelijke of ongelijke, rechte slippen verdeeld is of zich tot een aanvankelijk opgerold, later zich uitspreidend zaadpluis ontwikkelt. De bloemkroon is éenbladerig afvallend en trechtervormig met een aan de basis vaak een bult of een spoor vormende buis en een meestal 5-slippigen zoom. De meeldraden staan in de buis der bloem en afwisselend met de bloemkroonslippen; meestal echter zijn er slechts 3 of 4, en somtijds is slechts 1 aanwezig. Zij hebben lange helmdraden en tweehokkige, overlangs openspringende helmknoppen. Het onderstandig vruchtbeginsel heeft 2-ledige, kleine hokjes en een grooter hokje met een hangenden, anatropen zaadknop. De enkelvoudige, draadvormige stijl is gekroond met 2 of 7 vrije of samengegroeide stempels. De vrucht is een éenzadige, vliezige of lederachtige dopvrucht. Het zaad heeft een dunnen, vliezigen rok, geen kiemwit en een rechte kiem met langwerpige, vrij dikke zaadlobben. Deze familie telt in omstreeks 101 geslachten ruim 130 soorten, die hoofdzakelijk in Midden-Europa en in de landen rondom de Middellandsche Zee zijn verspreid. In ons land komen slechts voor de geslachten Valeriana en Valerianella. Een sierplant is Centranthus ruber met roode bloemen, één meeldraad en een lange dunne spoor, afkomstig uit Zuid-Europa. In den wortelstok der overblijvende soorten heeft men een aetherische olie, een organisch zuur, extractiefstoffen en zetmeel. Onderscheidene soorten belmoren tot de geneeskrachtige gewassen.

Valerianella Moench of Veldsla is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Valerianeeën. Zij omvat kleine, eenjarige kruiden met herhaald gegaffelde stengels, langwerpige bladeren, kleine, meestal in bundels geplaatste bloemen en een getanden, de vrucht kronenden kelk. Van de soorten is V. olitoria Moench., de gewone veldsla, met kleine, blauwachtig witte bloemen, die in Midden- en Zuid-Europa tusschen het gras voorkomt, algemeen bekend.

Valerianus, Publius hicmius, een Romeinsch keizer, werd, nadat hij zich gedurende een reeks van jaren in den oorlog had onderscheiden, op hoogen leeftijd in 253 door het leger in Rhetië tot keizer uitgeroepen. Hij benoemde zijn zoon Gallienus tot mederegent voor het Westersch Romeinsche rijk. Het gelukte hem niet om de orde in het rijk te herstellen, en toen hij de gevaarlijkste vijanden in het O., de Perzen, trachtte terug te dringen, leed hij in 260 de nederlaag, geraakte in krijgsgevangenschap en overleed vóór dat de dag der bevrijding voor hem aanbrak.

Valerien Mont, een hoogte in het Fransche departement Seine, ten W. van Parijs op den linkeroever van de Seine gelegen, draagt sedert 1841 het voornaamste fort van de binnenste verdedigingslinie der hoofdstad. Het was bij de belegering van Parijs in 1870—1871 een belang¬

rijk punt. Gedurende de Commune was het door regeeringstroepen bezet, die van hieruit de voorsteden, met name Neuillv bombardeerden.

Valerius is de naam van een beroemd geslacht van patriciërs te Rome. Zijn stamvader Volesus, van Sabijnschen oorsprong, heeft volgens de sage den vrede bevorderd tusschen Romulus en Tatius.

Valerius Poplicola, Publius, bekleedde, nadat hij tot den val der Tarquiniërs had medegewerkt, van 609—504 v. Chr. tot viermaal toe het consulaat en streed tegen de Vejenters, tegen Porsenna, tegen de Etruskers en de Sabijnen. De wetten (leges Valeriae), die hij in 509 ter handhaving der vrijheid verordende, verschaften hem den naam van Poplicola (= volksvriend). Hij overleed in 503 en werd op kosten van den Staat begraven.

Zijn broeder, Valerius Volesus, Marcus, streed in 505 als consul voorspoedig tegen de Sabijnen.

Valerius Poplicola Pititus, Lucius, een kleinzoon van den voorlaatste, was met Marcus Horatius Barbatus na den val der Tienmannen in 449 consul en verordende met zijn ambtgenoot de „leges Valeriae Horatiae ter versterking van de grondslagen der vrijheid.

Valerius, Marcus, genaamd Corvus (= raaf), omdat hij als krijgstribuun een Gallischen reus met behulp van een raaf had overwonnen, was een der grootste Romeinsche oorlogshelden. Hij was zesmaal consul, tweemaal dictator en bekleedde 21maal curulische waardigheden. Onder zijn talrijke overwinningen zijn die bij den berg Gaums (343) en bij Suessula op de Samnieten het meest bekend.

Valerius Falto, Quintus, voerde in 241 in den slag bij de Aegadische Eilanden in plaats van den zieken consul Quintus L/utatius Calulus, het opperbevel en vierde een Triumphus navalis.

Valerius Laevinus, Marcus, praetor in 215, voerde jaren aaneen een voorspoedigen oorlog tegen Philippus van Macedonië en voltooide als consul in 210 de verovering van Sicilië. Hij overleed in 200 als propraetor van Macedonië.

Valerius, Flaccus, Lucius, de vierde van dien naam, ondersteunde als praetor in 63 Cicero in den strijd tegen Catilina door de gezanten der Allobrogen gevangen te nemen. Het volgende jaar vertrok hij als propraetor naar Azië en gaf er door afpersingen aanleiding tot een aanklacht, maar werd door Cicero in een bewaard gebleven redevoering met goed gevolg verdedigd.

Valerius Triarius, Cajus, een vriend van Cicero en door dezen tot deelnemer aan zijn gesprek „De finibus" gemaakt, voerde in 49 in den burgeroorlog bevel over de Aziatische vloot van Pompejus, en sneuvelde waarschijnlijk in den slag van Parsalos. Het geslacht Valerius bloeide nog tot in den tijd der keizers.

Valerius Flaccus Setinus Balbus, Cajus, een Romeinsch dichter, vervaardigde in de eerste jaren der regeering van Vcspasianus zijn bewaard gebleven, maar onvoltooid gedicht „Argonautica", handelend over den tocht der Argomuten in 8 boeken. Het is een vrije navolging van dat van Apollonius van Rhodus, overladen met rhetorische versierselen en dikwijls duister van taal. Het werd in Nederland uitgegeven door Burmannus (Leiden, 1724) en door Bahrens (1875). Hij overleed omstreeks 90 n. Chr.

Sluiten