Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Valerias Maximus, een Romeinsch geschiedkundige, schreef omstreeks 32 n. Chr. de bewaard gebleven: „Factorum dictorumque memorabilium libri IX ad Tiberium Caesarem Augustum", een verzameling van geschiedkundige bijzonderheden, niet zelden zonder critiek, aan verschillende oude bronnen ontleend en in gezwollen stijl medegedeeld. Behalve het werk zelf bezitten wij daarvan twee uittreksels, van Julius Paris en van Januarius Nepotianus. Uitgaven werden bezorgd door Aldus Manutius (1534), Lipsius (1585). Halm (1865) en Kempf (2de druk, 1888; bevat ook de beide uittreksels).

Valeton, Josué Jean Philippe, een Nederlandsch letterkundige, geboren te 's Gravenhage den 288ten Augustus 1815, ontving zijn opleiding aan de Latijnsche school te Delft, studeerde te Leiden in de godgeleerdheid en de letteren en werd in 1840 beroepen tot predikant bij de Waalsche gemeente Middelburg. In 1845 benoemd tot hoogleeraar in de wijsbegeerte en de letteren te Groningen, aanvaardde hij die betrekking met een redevoering „De grammatices stiidio Utterarum orientalium cultori summopere commendando". Hij schreef „Schets der Hebreeuwsche spraakkunst" (1874). In 1877 werd hij hoogleeraar in de faculteit der godgeleerdheid, ontving in September 1884 wegens zeventigjarigen leeftijd een eervol emeritaat

en vestigde zich m lööö te Amersloort. Hl] overleed den l8ten Februari 1906 te Utrecht.

Valeton, Isaac Marinus Josué, een Nederlandsch oudheidkundige, geboren te Groningen den 308ten

maart iöou, promoveerde aldaar in 18Y4 op een dissertatie, getiteld „M. Valerius Messalia Corvinus". Van 1873—74 was hij leeraar in de geschiedenis aan de hoogere burgerschool en het gymnasium te Kampen van 1874—1877 als leeraar in de oude talen te Groningen en daarna aan het Erasmiaansch gymnasium te Rotterdam. In 1879 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de oude geschiedenis en Romeinsche antiquiteiten aan de universiteit te Amsterdam, welk ambt hij aanvaardde met een redevoering „De Romeinsche historiographie in verband met het Romeinsche karakter". Zijn voornaamste werken zijn: „De Polybii fontibus et auctoritate" (1879), „Het oudRomeinsche huwelijk in het licht van het zedelijk oordeel" (1903) alsmede een aantal artikelen in het tijdschrift „Mnemosyne", waarvan de redactie sedert het aftreden van den hoogleeraar Cotet mede door hem werd gevoerd. Hij overleed den 31a'c Maart 1911 te Amsterdam.

Valeton Jr., Josué Jean Philippe, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Groningen den 14den October 1848, studeerde aldaar en te Utrecht in de godgeleerdheid en promoveerde aldaar in 1871 op een dissertatie, getiteld „Jesaja volgens zijne algemeen als echt erkende schriften". Van 1872—1877 was hij predikant te Varik en te Bloemendaal, waarna hij benoemd werd tot hoogleeraar in de godgeleerdheid te Utrecht, welk ambt hij aanvaardde met een redevoering, getiteld „De Israëlietische letterkunde als onderdeel der Christelijke theologie". Naast verschillende artikelen in het theologisch tijdschrift: „De Studiën", alsmede in de „Theologische Studiën", in de „Stemmen voor Waarheid en Vrede", in „Het eeuwig Evangelie" en in „Overdenkingen", waarvan hij sedert

1894 met P. D. Chantepie de la Saussaye de redactie voert, vermelden wij van hem: „Nog een woord over het ethisch beginsel" (1878), „Een nieuw begin" (1882), „Geloof en theologie, een woord van toelichting naar aanleiding van bezwaren, ingebracht tegen „Een nieuw begin" (1883), „Alles het uwe, en gij van Christus, leerrede, gehouden in de Domkerk, te Utrecht den 20sten Juni 1886 bij gelegenheid van de viering van het 50s,e lustrum der Utrechtsche universiteit" (1886), „Vier voorlezingen over profeten des Ouden Verbonds" (1886) „Psalm XXII, een lijdens- en zendingspsalm. Eene Bijbelstudie" (1888) „Jezus Christus de gekruisigde" (1891), „Profeet contra profeet" (1900), „De psalmen" (3 dln., 1902—1905), „Getuigenissen. De „historische Jezus" en de „Christus der Kerk — Wereld en kerk — Openbaring — De realiteit Gods" (1907), „Voorlezingen over Jesaja, Jeremia, Ezechiël" (1908), „De Utrechtsche Zendingsvereeniging" (1909), „Het ,Onze Vader" en andere overdenkingen" (1909), „Oudtestamentische voordrachten" (1909), „Op den levensweg. Korte overdenkingen" (1910). Bovendien leverde hij vele kleinere geschriften en bijdragen in verschillende theologische en godsdienstige tijdschriften.

Valken (Falconinae), een onder-familie uit de orde der Roofvogels, zijn kleine of middelmatig groote vogels met grooten kop, korten hals, betrekkelijk korten, sterk gekromden snavel, lange, puntige vleugels en korte of middelmatig lange pooten, waarvan de voeten lange teenen dragen. Zij komen in alle streken der aarde voor. Vele zijn trekvogels. Zij leven in bosschen, of rotsen, in oude gebouwen en zelfs in steden, vliegen zeer snel en behendig en zijn in staat om gedurende langen tijd op dezelfde plaats in zwevende houding te blijven. Hun voedsel, voornameliik vo?els. var¬

gen zij meestal in de vlucht. Daarbij schieten zij van uit de hoogte op hun prooi neder, die zij daarna op een geschikte plaats eerst gedeeltelijk van veeren of huid ontdoen. Zij nestelen in holten van steile rotsen, in hooge boomen of gebouwen. Het wijfje, dat wat grooter is dan het mannetje, legt 3—7 ronde, min of meer ruwschalige, mat roodachtigbruine, donker gestipte of gevlekte eieren, welke zij alleen uitbroedt.

De jacht-, gier- of geervalk (Falco rusticolus 1.1

is 60 cm. lang en heeft een vlucht van 120 cm. Hij is op de bovendeelen donker grijsblauw en aan de buikzijde grijs- of geelachtig wit met donkere, overlangsche vlekken. De snavel is steeds zwart. Met een aantal andere soorten behoort hij tot de Edelvalken, een jagersterm ter aanduiding van valken, die voor africhting geschikt zijn. Hij woont bij voorkeur in de nabijheid der zeekusten in N. Scandinavië, N. Rusland en Siberië. Bij ons te lande wordt hij, hoewel in kleinen getaie, bijna jaarlijks aangetroffen. Zijn voedsel bestaat uit zeevogels in den zomer en uit sneeuwhoenders in den winter. Verder schijnt hij jacht te maken op hazen en eekhoorns. De Slechtvalk, in Z. Holland Passagier, in Friesland Noorsche valk genaamd (Falco peregrinus Stunst), is 47—52 cm. lang bij een vlucht van 110—120 cm. De geheele bovenzijde is licht leikleurig grijs met donkere banden. De onderborst en de buik zijn roodachtig geel. Hij bewoont de N. lijke, gematigde luchtstreek en gaat in den winter

Sluiten