Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 095 zielen, waarvan er 20 816 in de hoofdstad Victoria wonen. Vancouver werd in 1774 ontdekt door de Spanjaarden Juan Perez en Martinez. Quadra (1775) en Coók (1778) deden verdere ontdekkingen aan de Z. W. kust, doch eerst Vancouver (1792) stelde vast, dat het een eiland was. De Spanjaarden stonden hun aanspraken aan Engeland af, daarin gevolgd door de Amerikanen (1846). In 1849 werd het eiland voor een tijdperk van tien jaren toegewezen aan de Hudsonsbaaicompagnie onder voorwaarde, dat er koloniën moesten gesticht worden. In 1859 werd het als een afzonderlijke kolonie erkend en sedert 1866 vormt het met het nabijgelegen vasteland de provincie Britsch-Columbia.

Vancouver (Port Moody), de hoofdstad van de Canadeesche provincie Britsch-Columbia, tegenover Nanaimo op het eiland Vancouver aan de monding van den Burrard Inlet in de Georgia Sont gelegen, is het eindpunt van den Canadeeschen Pacificspoorweg en van een vertakking van den Great Northern spoorweg. Het bezit een stadhuis, een fraai postkantoor, een douanekantoor en een muntgebouw, is de zetel van de bank van Columbia en telt (1901) 26133 inwoners tegen 2 000 in 1887. In den omtrek wordt veel graan verbouwd en hout geteeld; de bodem bevat steenkool. Als de belangrijkste takken van nijverheid noemen wij: houtzaagmolens, wagen-, machinesuiker- en cementfabrieken. De handel heeft betrekking op hout, thee, zijde en pelswerk. Het is door stoomvaartlijnen verbonden met San Francisco, Sitka, Yokohama, Hongkong en Australië. De invoer bedroeg in 1906 £ 8193 647, de uitvoer £ 7 283 155. In 1903 werd de haven door 1598 schepen met 121 356 ton inhoud aangedaan.

Vancouver, George, een Engelsch zeevaarder, geboren omstreeks 1758, trad in 1771 in Engelschen zeedienst, vergezelde Coolc op zijn reizen van 1772— 1775 en van 1776—1780 en kreeg in 1790 de opdracht om met twee schepen „de Chattam" en de „Discovery" op de N.W. kust van Amerika de grenzen der bezittingen, zooals die in een conventie met Spanje waren vastgesteld, te regelen en te gelijker tijd de kust tusschen 30° en 60° N.Br. op te nemen. Om de Kaap de Goede Hoop en langs de Sandwich-eilanden bereikte hij in Mei 1792 de N.W. kust van Amerika, zeilde daarna met den Spaanschen bevelhebber Quadra y Bodega om het eiland Vancouver en verrichtte gedurende de zomermaanden van de jaren 1792—1794 de moeilijke opname van de kust tot den Cooks Inlet, terwijl hij de wintermaanden op de Sandwich-eilanden doorbracht. Op de terugreis om Kaap Hoorn onderzocht hij nog een gedeelte van de W. kust van Z. Amerika. Van zijn hand verscheen „A voyage of discovery to the North Pacific Ocean, etc." (3 dln., met atlas, 1798). Hij overleed in Mei 1798.

Vanda behoort tot de uitgebreide familie der Orchideae (zie aldaar) en vormt daarvan een der meest geliefde, moeielijk te kweeken geslachten. Vanda verlangt een vochtige, warme lucht, uitgezonderd V. Corrulea en V. teres, die droge lucht van lage temperatuur wenschen. In een grondmengsel van gehakte sphagnum, gemengd met varenwortels, en bij goede drainage groeien ze goed en kan de teelt loonend zijn. De belangrijkste soorten zijn: V. Denisoniana. V. gigantea, V. in-

signis, V. suavis, V. tricolor, T. Schilleriana, met de variëteiten tricolor, pallida en V. amesiam.

Vandal, Albert, een Fransch geschiedschrijver, geboren den 7den Juli 1853 te Parijs, deed het eerst van zich spreken door zijn reisverhaal „En karriol k travers la Suède et la Norvège" (1876). Verder schreef hij: Louis XV et Elisabeth de Russie" (3ae druk, 1896), „Le Pacha Bonneval" (1885), „Une ambassade franqaise en Oriënt sous Louis XV" (1887), „Napoléon et Alexandre I«" (3 dln., 1891—1896), waarmede hij tweemaal den prijs Gobert verwierf en dat de deuren van de Académie fran^aise voor hem opende, ,,L' Odyssée d'un ambassadeur. Les voyages du marquis de Nointel 1670—1680" (1900) en ,,L' Avènement de Bonaparte" (2 dln., 1902—1907; dl. 1, 6<"> druk, 1903). Hij was hoogleeraar aan de Ecole des sciences politiques en nam onder de tegenwoordige Fransche geschiedkundigen een eerste plaats in door de betrouwbaarheid van zijn onderzoekingen. Hij overleed den 30sten Augustus 1910 te Parijs.

Vandalen, een Germaansch volle, oorspronkelijk in het Middel-Odergebied woonachtig, bestonden uit de Asdingers en de Silingers. Later maakten zij deel uit van den Gotischen volkeren bond, aan welks invallen in het Romeinsche rijk zij deelnamen. Keizer Próbus bracht een aantal van hen, die een inval in Gallië hadden ondernomen (277), over naar Brittannië. Later verhuisd naar Silezië en Moravië, werden zij vandaar door Cmstantijn naar Pannonië verplaatst. Ook aan den tocht van Uadagaisus (406) namen de Vandalen deel. De hoofdmassa van het volk trok echter in 406 over den Rijn en door Gallië naar Spanje, waarvan zij het middelste en Z. lijke gedeelte bezetten. De W. Goot Wallia vernietigde in 416 de Silingers en drong de Asdingers terug naar Gallië. Maar in 428 drongen zij onder Genserich weder door tot aan de Z. kust, staken de Middellandsche Zee over en stichtten op de N. kust van Afrika, na de verovering van Carthago, in 439 het rijk der Vandalen. Van hier uit plunderden zij alle eilanden en kusten in het W. der Middellandsche Zee. In 455 bereikten zij zelfs Rome, en in 468 vernietigden zij bij Bone een groote Romeinsche vloot. In het binnenland onderdrukten zij als ijverige Arianen de aanhangers der orthodoxe Kerk. Na den dood van Genserich, onder het bestuur van Hunerich (477—484), Gundamund (484—496) en Throsamund (496—523) ontaardden de Vandalen echter en namen de Romeinsche zedeloosheid en weelde over. Childerik (523—530), een vriend der Romeinen en bevorderaar van het Katholicisme, werd door zijn neef Gelimer van den troon gestooten. Toen deze de bemiddeling der Romeinen afwees, zond Justinianus in 533 Belisarius met een leger naar N. Afrika. Door dezen verslagen, gaf Gelimer Carthago prijs, terwijl hij na een tweede nederlaag bij Tricameron de vlucht nam. In 534 gaf hij zich over. Belisarius herstelde daarop het Romeinsche gezag, huwde de vrouwen der Vandalen uit aan Romeinen, lijfde de Vandaalsche mannelijke jeugd in bij de keizerlijke ruiterij en vertrok, in 1 gezelschap van Gelimer, met de kleinodiën van het rijk naar Konstantinopel. Gelimer werd daar in triomf rondgevoerd en stierf in Galatië.

Vandalisme noemt men de ruwe vernieling van kunstwerken. Het woord werd in 1794 gebruikt

Sluiten