Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kusten komen kurkeiken, kastanjeboomen, palmen, oranjeappelboomen, aloë en cacteeën voor. De veeteelt levert muilezels en muildieren, ezels, paarden, schapen, geiten en varkens. In de Middellandsche Zee worden sardijnen, tonijnen, oesters, mosselen, koraal enz. gevangen. De mijnbouw is van geen beteekenis. De nijverheid brengt parfumerieën, zeep, likeuren, kurk, papier, leder, zijde, ijzer-, aardewerk- en houtwaren voort. Van belang is de scheepsbouw. De handel, welke over 12 havens, waaronder Toulon, Hyères, St. Tropez en Fréjus, (1897) over 444 km. spoorwegen en (1899) 291 km. rijksstraatwegen beschikt, heeft vooral betrekking op wijn, essences, olijfolie, kurk en zout (Hyères). De hoofdstad is Draguignan.

Varangerfjord, een diep, in de richting O.—W., in het land doordringende inham van de IJszee, gelegen in het Noorsche amt Finnmarken, is 90 km. lang, vischrijk en vormt een goede, ijsvrije haven. Aan de Z. zijde ligt de boschrijke, kortelings gekoloniseerde streek Zuidvarang e r, met ongeveer 3600 inwoners. Varanger Nas is de naam van het groote, bergachtige schiereiland, dat tusschen de Varanger en de Tanafjord in de IJszee vooruit steekt.

V&razze, een zeebadplaats in de Italiaansche provincie Genua, gelegen aan de Golf van Genua (Riviera di Ponente) en aan den spoorweg Genua— Ventimiglia, bezit een gymnasium en een haven en telt i(1901) 4818 (als gemeente 9759) inwoners. Zij houden zich bezig met vischvangst, scheepsbouw en touwslaan, terwijl de plaats ook papierfabrieken, katoenweverijen en oliemolens bezit.

Vardö (Wardo), een plaats in het Noorsche amt Finnmarken, in het N. van de Varangerfjord, op het lange, smalle eiland Vardö gelegen, bezit een haven, traanstokerijen en uitvoer van visch, traan en guano en telt (1900) 2697 inwoners. In de nabijheid ligt de kleine vesting Vardöhus.

V&renius, Bernhard, een Nederlandsch aardrijkskundige van Duitsche afkomst, geboren in 1622 te Hitzacker a. d. Elbe, studeerde te Koningsbergen in de wiskunde en de medicijnen en begaf zich in 1646 naar Leiden om er zijn studiën te voltooien. In 1647 huisonderwijzer te Amsterdam, gaf hij, in de hoop als docent in de wiskunde aan het gymnasium aldaar benoemd te zullen worden, zijn betrekking op. Wegens zijn Luthersch geloof werd Varenius echter niet benoemd. Daarna studeerde hij weder in de medicijnen te Leiden en vestigde zich na zijn promotie (1649) als arts te Amsterdam. Doch in den vrijen tijd hield hij zich bezig met de aardrijkskunde. Zijn „Geographia Generalis" (Amsterdam, 1660), kan ais het eerste volledige en systematische werk over natuurkundige aardrijkskunde beschouwd worden. Het werd door Newton in Engeland uitgegeven, terwijl het verder in het Engelsch, Fransch, Duitsch en in 1750 ook in het Nederlandsch vertaald werd. Bij het schrijven der „Geographia Generalis" had Varenius zich overspannen; hij werd op het ziekbed geworpen en stierf waarschijnlijk in 1650 te Amsterdam.

Varennes-en-Argonne, een plaats in het Fransche departement Meuse, gelegen aan de Aire en in de nabijheid van het Argonnenwoud, bezit fabrieken van koek-, suikerwerken en van marsepijn en telt (1906) 1142 inwoners. In de na¬

bijheid bevinden zich phosfaatgroeven. Hier werd Lodewijk XYI op zijn vlucht den 22Bten Juni 1791 gevangen genomen.

Varens (Filicince) is de naam eener klasse van planten uit de groote afdeeling der Bedeldbloeienden of Spoorplanten (Cryptogamen).

Men onderscheidt ze in twee groepen, n.L de Füices, waarbij alle sporen gelijk zijn en de sporangiën niet in vruchtjes zijn opgesloten, en de Rhizocarpme (Hydropterides), waarbij tweëerlei sporen voorkomen en de sporangiën in z.g. vruchtjes zijn opgesloten.

De eigenlijke varens zijn onder de Vaatcryptogamen het talrijkst en vooral in de heete gewesten zoowel door kleinere als grootere vormen, ja zelfs door boomachtige vertegenwoordigd. In Europa vindt men geen andere dan zulke met een kruipenden wortelstok. De bladeren der Varens zijn in den knop spiraalsgewijs opgerold; in den regel zijn zij ingesneden, soms, zooals bij onze inlandsche Scolopendrium, gaaf. De bladeren zijn vruchtbaar of onvruchtbaar, alnaar gelang zij al dan niet de kussentjes van sporangiën, Sori genaamd, dragen. Bij sommige soorten, zooals bij Blechnum, vindt men de onvruchtbare aan den omtrek der bladrozet en de vruchtbare in het midden. Men kan deze sori vinden aan de achterzijde der bladeren, waar zij den loop der vaatbundels in de bladschijf volgen. Op een kleine verhevenheid, receptaculum, ontspringen zij en zijn dan vaak, zoolang zij onrijp zijn, door een dekvliesje (mdusium) bedekt Men heeft derhalve weer naakte sori en bedekte sori. Het sporangium is gewoonlijk een lensvormig lichaampje, welks wand één cellenlaag dik is en door den z.g. ring (annulus) wordt gesloten. De cellen van den ring zijn aan den buitenwand dun, zoodat deze zijde bij droog weer sterker dan de binnenzijde inkrimpt, wat ten gevolge kan hebben, dat de ring naar buiten omslaat en aldus den sporen gelegenheid kan verschaffen te ontsnappen.

De sporen zijn ééncellig en leveren bij kieming een z.g. voorkiem (prothallium), dat gewoonlijk den vorm van een blaadje met hartvormige insnijding heeft en door wortelharen in den grond bevestigd is. Men kan deze wel in het wild aantreffen, maar men slaagt veel beter door zelf in den nazomer de sporen te verzamelen en dan eenige vruchtbare bladeren tusschen filtreerpapier te drogen. Het fijne stof, dat men aldus verkrijgt, zaait men uit op een stuk insektenturf (in den handel verkrijgbaar), die goed doortrokken is met water. Het stuk turf laat men na de uitzaaiing steeds op een bord in aanraking met water, dat echter niet boven de turf mag uitkomen; komen de plantjes uit, dan moet men al spoedig gaan dunnen, daar anders het eene het andere verstikt. Deze plantjes zijn de prothalla en hieruit komt later de eigenlijke varenplant te voorschijn.

De voorkiem draagt de mannelijke (aniheridiën) en de vrouwelijke (archegoniën) voortplantingswerktuigen. De antheridiën zijn kleine bolletjes, die uit een opperhuidscel te voorschijn komen en bij rijpheid in hun binnenste de spermatozoïd moedercellen bergen. Uit deze laatste ontstaan de spermatozoïden, kurketrekkerachtig gewonden draden, die aan het eene uiteinde talrijke wimpers en aan de tegenovergestelde zijde een blaasje dragen. Als de antheridiën rijp zijn, komen deze spermatozoïden in vrijheid en bewegen zich

Sluiten