Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn zeer gezocht. Volgens de meening van de meeste dierkundigen zijn de weinig veredelde tamme varkens, die men vroeger in de meeste Europeesche landen en thans nog in enkele streken onder den naam van landrassen aantreft, afstammelingen van het Europeesche wilde varken. Het wilde varken laat zich betrekkelijk gemakkelijk temmen en plant zich ook in de gevangenschap voort; in vrijheid gelaten, verwilderen tamme varkens spoedig. Het Indische wilde varken is over Oost-Azië en de Maleische eilanden verspreid. Op Java en Sumatra komt bijv. het tot deze soort behoorende bandzwijn (sus mttatus), op Nieuw-Guinea het Papoeazwijn voor. Men beschouwt het Indische wilde varken als den stamvorm van het kortoorige Chineesche varken en van het daarmee verwante Japansche maskerzwijn. In het algemeen verschillen de tamme afstammelingen van het Indische wilde varken van de Europeesche landvarkens door een kortoren, breederen en hoogeren kop, door een_korter en hooger traanbeen en daardoor, dat de kiezen in de beide kaakhelften, in overeenstemming met den vorm van den kop, niet evenwijdig loopen, naar divergeeren. Tusschen beide bestaan middenvormen, zooals de kroesharige Hongaarsche varkens, de kleine Romaansche varkens en verschillende Engelsche rassen.

In verband met deze afstamming kan men de volgende indeeling maken:

1. Europeesche landrassen. Hiertoe behooren twee hoofdvormen, n.1. a. de k 1 e i n e, kortoorige varkens en b. de groot e, grootoorige varkens, die echter door kruising onderling en vooral met Engelsche vormen, op vele plaatsen niet meer zuiver aanwezig zijn. De eerste soort komt nog het meest zuiver in Polen voor. Zij hebben een smallen, spitsen kop, een naar boven gerichten rug, matig lange pooten, zijn geelachtig wit tot roodbruin en zwart en wegen, goed gemest, 200—260 kg. De groote, grootoorige varkens komen waarschijnlijk nog het meest zuiver in Rusland voor. In Noord-Duitschland worden zij vertegenwoordigd door de marschvarkens, in Nederland door de lobooren, in Groot-Brittannië door het oud-Engelsche ras, in Frankrijk door het Keltische ras. Zij vormen één van de elementen, waaruit door kruising de moderne Engelsche rassen en daardoor ook de meeste andere thans voorkomende Europeesche en Noord-Amerikaansche rassen zijn ontstaan. In enkele streken van ons land worden deze lobooren of oud Nederlandsche varkens nog gevonden; zij hebben lange en breede ooren, die tot over de oogen hangen, soms 2 vleeschlelletjes aan de onderkaak, een tamelijk langen hals, lange pooten, zij zijn goed behaard, bezitten een kam op den rug, hebben meestal een geelwitte soms zwartbonte of zwarte kleur, zijn niet vroeg rijp en kunnen op een leeftijd van 2 è, 3 jaar, bij een hoogte van 1 m. en een lengte van 2 m., 350—460 kg. wegen. De zeugen hebben 8 & 10 paar tepels en zijn zeer vruchtbaar. Van de in Duitschland voorkomende slagen noemen wij het Westfaalsche varken, dat groot en vleeschrijk is. In Frankrijk onderscheidt men het Craonnaische varken en het Normandische varken.

2. Het Indisch-Chineesche tamme varken en het zoogenaamde Japansche maskerzwijn. Waarschijnlijk komt het stamras van deze dieren nog het

meest zuiver op de Zuidzee-eilanden voor, waar het ook van oudsher getemd wordt. Het maskerzwijn (sus plicipeps sus indicus macrolis) onderscheidt zich van het Indisch-Chineesche varken door het bezit van lange, breede ooren en sterke, dikke gezichtsplooien. Het is buitengewoon vruchtbaar, waarom men, eerst in Engeland, later in Duitschland beproefd heeft het met veredelde varkens te kruisen, echter zonder veel resultaat. Van de Indisch-Chineesche tamme varkens is het kortoorig Indisch varken (sus indicus brachyotis), het voornaamste huisdier der Chineezen, van het meeste belang. Het heeft een korten, breeden kop, een rechtopstaand voorhoofd, sterke vleezige kaken, een korten en dikken hals, een langen romp, korte pooten, een korten, weinig gekrulden staart, een dunne huid met weinig borstels en witte, geelachtig witte, bonte of zwarte kleur, een lengte van 9—11 j dm., een hoogte van 4,6—6 dm. en een levend gewicht van 100—125 kg. Door zijn vroegrijpheid en zijn lichaamsvorm is het zeer geschikt om gemest te worden; zijn spek en vleesch zijn echter niet duurzaam en hebben geen aangenamen smaak. Buitendien is het weinig bestand tegen een ruw klimaat en afwisselend weer, ja niet geschikt zelf zijn voedsel te zoeken en is weinig vruchtbaar. Het mist eigenschappen, die het Europeesche landras bezit en omgekeerd; daardoor heeft de kruising, die het eerst door Engelsche fokkers is toegepast, uitstekende resultaten opgeleverd, zoodat men zeggen kan, dat alle rassen in Engeland en daardoor in de meeste Europeesche landen thans met bloed van Chineesche varkens vermengd zijn.

3. Middelvormen tusschen Europeesche en Indische varkens. Zooals boven gezegd is, behooren hiertoe meest alle thans in Europa en NoordAmerika voorkomende rassen, waarvan men een groot aantal onderscheiden kan. Wij brengen ze tot de volgende groepen: a. kroesharige varkens, h. Romaansche varkens, c. Engelsche varkens, d. Nederlandsche varkens en e. buitenlandsche fokrassen.

De kroesharige varkens vindt men in het Z.O. van Europa en in het W. van Centraal-Azië, inzonderheid in Hongarije, waarom ze ook wel Hongaarsche varkens worden genoemd. Tusschen de borstelvormige haren bevindt zich bij deze dieren kroes haar, dat vooral in den herfst een wollig dons vormt, waardoor zij tegen de koude zijn beschut. Zij zijn blond, roodbruin of zwart van kleur. De voornaamste slagen zijn: het bergzwijn, dat vooral in de noordelijke Karpaten voorkomt, de meeste overeenkomst met het Europeesche varken vertoont en vleezig spek levert, het Bakonyer varken en het Szalontaer varken, die eveneens vleezig spek hebben, een beteren vorm bezitten dan het bergzwijn en goed zijn gehard, en het Mangaliezavarken, dat meer overeenkomst heeft met het Chineesche zwijn.

De Romaansche varkens, die in het Z.W. van Europa voorkomen, zijn over het geheel kleine dieren, die niet veel zwaarder worden dan 100 kg.; zij hebben een ronden lichaamsvorm, een breeden en rechten rug, een korten kop, korte pooten, zijn weinig behaard, gewoonlijk zwart, grauw of vuurrood van kleur, vroeg rijp, doch niet zeer

Sluiten