Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vruchtbaar. Zij leveren een goede kwaliteit vleesch en spek.

De Engelsche varkens, waarvan er een overgroote verscheidenheid bestaat, kan men tot 3 hoofdgroepen brengen n.L kleine rassen (small breed), groote rassen (large breed) en rassen van middelbare grootte (middel breed). Zij hebben over het algemeen: een kleinen, gedrongen kop met zware kaken en sterke kauwspieren, korte ooren, een korten hals, een breeden, tonvormigen romp, een rechten rug, fijne beenderen, korte pooten met korte en dikke spieren, een dunne huid en weinig haar. Zij zijn vroeg rijp en worden spoedig vet. De kleine rassen zijn waarschijnlijk niet in Engeland inheemsch geweest, doch door kruising met het Portugeesche, het Napelsche en het Chineesche varken ontstaan. Men onderscheidt witte en zwarte vormen; tot de eerste behoort het Yorkshirezwijn, tot de laatste het Essex- of zwarte Suffolkvarken. De groote rassen bezitten meer bloed van het oorspronkelijke Engelsche grootoorige landzwijn dan de kleine. Zij hebben een langeren kop, langere ooren en langere pooten. Zij zijn over het algemeen wit; onder de grootste treft men soms dieren aan met blauwe plekken. Hiertoe behooren het groote Yorkshire-, het Nieuw-Leicester-, het groote Suffolkvarken enz. De middel breed ontstond door kruising van het kleine met het groote ras. In het algemeen passen de Engelschen dezen naam alleen toe op witte varkens, inzonderheid van het Yorkshireslag. Men heeft echter ook varkens van een middelbare grootte met een andere kleur, die over het algemeen meer gehard zijn dan de witte. Hiertoe behooren in de eerste plaats de Berkshires, varkens met een breede borst, een langen romp, een tamelijk langen kop, tamelijk dikke, naar voren gerichte ooren, een tamelijk dikke huid en, zwart haar met een witte vlek op het voorhoofd, witte voeten en een wit staartuiteinde, soms met gele of roodachtig gele strepen en vlekken. Vroeger werd deze soort zeer veel uitgevoerd naar Amerika, thans geeft men echter, evenals bij ons, de voorkeur aan witte varkens. Sedert 1901 maakt een nieuw slag (large black breed), grooter dan de Berkshires, meer en meer opgang. In de laatste jaren zijn ook de Tamworths, niet witte varkens van middelbare grootte met een langen kop, een lang lichaam, lange pooten en rood haar, meer bekend geworden.

Nederlandsche varkens van oorspronkelijk, onvermengd ras, treft men, zooals boven gezegd is, zelden meer aan. De meeste bevatten Engelsch bloed, echter in verschillende mate en van verschillende kwaliteit, aanvankelijk kruiste men het meest met de zwarte Berkshires, later met de groote Yorkshires, vervolgens met de Yorkshires van middelbare grootte, een tijdlang ook met het Amerikaansche Poland-Chinavarken, daarna met het Tamworthvarken. Tegenwoordig geeft men over het algemeen de voorkeur aan kruising met de witte Yorkshires van middelbare grootte, waardoor vroeg rijpe varkens met fijn spek en vleesch van 76—150 kg. ontstaan. In den laatsten tijd dringt men aan op de inrichting van fokstations voor inlandsche varkens, daar men te veel Engelsch bloed niet wenschelijk acht met het oog op de vruchtbaarheid en het weerstandsvermogen.

Evenals bij ons zijn in de meeste andere landen de fokrassen door kruising met Engelsche rassen verkregen. In Duitschland, België en Denemarken zijn een aantal fokstations opgericht, waardoor men tracht meer stelselmatig het kweeken van geschikte rassen te bevorderen. Hiertoe behoort o. a. het Meiszenervarken, ontstaan door kruising van het grootoorig Saksisch landzwijn met het Yorkshirevarken van middelbare grootte. Van de varkensrassen buiten Europa is verder het meest bekend het Poland-Chinavarken in Noord-Amerika, waarschijnlijk een kruising van het kleine Poolsche varken met Berkshires en Chineesche varkens. Het is zwart tot grauw, dikwijls met geelwitte vlekken, glanzig haar, vleezig, sterk en vruchtbaar.

Bij het fokken van varkens onderscheidt men 2 richtingen, n.L het aankweeken van sterke dieren, die op weiden of in bosschen zelf hun voedsel moeten zoeken, en het kweeken van meer veredelde dieren, die hoofdzakelijk in den stal gevoederd worden. Voor de eerste soort komen afstammelingen van een landras of Hongaarsche varkens in aanmerking, voor de laatste dieren met veel Engelsch bloed. De kleinere, vroegrijpe rassen leveren over het geheel meer fijn met vet doorwassen vleesch, de grootere meer reuzel, meer spek en fijne hammen. Bij de keuze van de fokdieren staat een goede mestvorm op den voorgrond. De draagtijd van de zeug duurt 16 & 17 weken, de zoogtijd 6 è. 8 weken. In het voedsel van het varken bestaat een groote verscheidenheid; naast allerlei groen voer ontvangt het wortel- en knolgewassen, bijprodukten van de zuivelbereiding en van fabrieken, afval van de keuken en van slagerijen. Hooi en stroo is geen voedsel voor varkens. De weidevoedering biedt voor jonge varkens en fokvarkens vele voordeelen, daar een voldoende beweging in de vrije lucht op hun ontwikkeling zeer gunstig werkt. Steeds is het gewenscht met den stal een loopplaats te verbinden, waar de jonge dieren vrij kunnen rondloopen. De zoogende jongen krijgen reeds toevoeder. Voor mestvarkens is stalvoedering het meest geschikt, daar weinig beweging gunstig op het mesten werkt. Vleeschvarkens worden reeds op jeugdigen leeftijd gemest, met spekvarkens begint men eerst later. Bij de keuze van de voedingsmiddelen voor het mesten komen, die in aanmerking, welke de voordeeligste zijn, zoodat deze meestal van plaatselijke omstandigheden afhangt. Aan de inrichting van den stal wordt, geheel ten onrechte gewoonlijk weinig zorg besteed; de varkens hebben evenzeer een goede verzorging noodig als andere huisdieren, de stal moet droog zijn, een gelijkmatige temperatuur bezitten, goed geventileerd worden en zindelijk gehouden worden. De leeftijd, waarop varkens gemest en geslacht worden, loopt zeer uiteen. In Engeland worden vele geslacht op den leeftijd van 4 maanden (speenvarkens). Het slachtgewicht is hooger dan bij alle andere soorten slachtvee, omdat huid, kop en pooten mee worden gewogen. Gemiddeld bedraagt het 70—80%, bij Engelsche varkens tot 90%. Als bijprodukten vallen te noemen de mest, de borstels en soms de huid.

Het varken is reeds lang als huisdier bekend, Terwijl het bij de Oostersche volken als onrein werd beschouwd, stond het bij'de Grieken, Romei-

Sluiten