Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen, Chineezen, Japanners en Germanen in hoog aanzien. Tot aan den tegenwoordigen tijd is de varkensfokkerij in vele landen van Europa een belangrijke tak van het landbouwbedrijf, niet het minst voor den kleinen man. Van uit Europa werd het varken ook in Amerika ingevoerd, waar de varkensteelt tot grooten bloei kwam en aanleiding gaf tot een belangrijken uitvoer naar Europa. Zie ook Varkensziekten.

Varkenskers of Senebiera, een plantengeslacht, dat tot de familie van de Kruisbloemigen behoort, bevat ongeveer 6 soorten, die over de geheele aarde verbreid zijn. Het zijn over het algemeen kleine op de aarde liggende planten met geveerde bladeren en niervormige kleine vruchten. Van de senebiera coronopus werden de zaden vroeger tegen scheurbuik gebruikt.

Varkenspest. Zie Varkensziekten.

Varkenstuberculose. Zie Varkensziekten en Tuberculose.

Varkensziekten. De ziekten, die bij de varkens het meest voorkomen en aan de varkensteelt het meest nadeel toebrengen, zijn: vlektyphus, vlekziekte of varkenskoorts, de besmettelijke borst-ziekte of varkensziekte en de varkenspest, die vroeger ten onrechte daarmede als nauw verwant beschouwd werd. Verder komt tuberculose en mond- en klauwzeer dikwijls voor, terwijl vele parasieten bij hen optreden, zooals een mijt van de sarcoptessoort, die de varkensschurft veroorzaakt, wormen in de longen en in de darmen, trichiiien en blaaswormen. Ook enkele huidziekten zijn bekend, terwijl overigens gezonde vette varkens bij het vervoer dikwijls aan een hartverlamming sterven.

De vlekziekte, die onder bepaalde omstandigheden zeer besmettelijk is, wordt het meest aangetroffen bij varkens vanaf drie maanden tot een jaar. De besmetting wordt niet van het eene dier op het andere overgebracht, maar ontstaat, doordat bacillen, die met het bloed en de uitwerpselen van zieke dieren verspreid worden, stallen, weiden enz. besmetten. Omstreeks 3 dagen, nadat de smetstof opgenomen is, breekt de ziekte uit met liooge koortsen, hevige ziekteverschijnselen en roode vlekken op de huid. Meestal eindigt de ziekte na 2—4 dagen met den dood, waarom men gewoonlijk de dieren vóór dien tijd afmaakt ; het vleesch kan, gekookt, zonder nadeel worden gegeten. Sedert 1892 wordt de door Lorenz uitgevonden seruminspuiting met goed gevolg toegepast.

De varkensziekte wordt door zeer kleine bacteriën die in 1882 door Löffler-Schütz werden ontdekt, veroorzaakt. Zij is zeer besmettelijk. Aanvankelijk treedt zij meestal op als een croupeuse longontsteking, die dikwijls met een ontsteking van het borstvlies en den hartzak gepaard gaat. Huiduitslag en kleverige oogleden komen hierbij voor. Dikwijls gaat de ziekte met varkenspest gepaard. De bacteriën zijn overal aanwezig, doch werken alleen onder bepaalde omstandigheden pathogeen en treden dan waarschijnlijk in zeer verschillende vormen, afhankelijk van die omstandigheden, op, zoodat een serum, dat tegen den eenen vorm (stam) met goed gevolg toegepast wordt, in een ander geval werkeloos blijft. Men heeft getracht door het verzamelen van zeer vele stammen en het bereiden van verschillende smetstoffen daaruit,

die vermengd worden, een algemeen serum te vervaardigen. Dit zoogenaamde polyvalente serum is, vooral als voorbehoedmiddel bij jonge varkens, dikwijls met succes toegepast.

Vroeger meende men, dat de varkenspest (hogcholera) door een bacil veroorzaakt werd, die in vele opzichten overeenkomst vertoonde met den bewerker van de varkensziekte. In 1904 kwam men tot de ontdekking, dat deze bacil slechts een ondergeschikte rol speelt en dat de eigenlijke ziekte door een filtreerbare smetstof ontstaat. Het voornaamste verschijnsel is een aandoening van den dikken darm, in welks slijmhuid zich zweren met dikke, harde randen vormen, waardoor een hevige diarrhee ontstaat. Daarmede gaat dikwijls een ontsteking van de slijmhuid in mond, keel, slokdarm en buikvlies gepaard, alsook uitslag en kleverigheid van de oogleden. De ziekte kan acuut of chronisch zijn; meestal is zij doodelijk. De varkenspest is minder verbreid dan de varkensziekte; dat beide dikwijls gepaard gaan, is waarschijnlijk een gevolg daarvan, dat de door de pest aangetaste dieren vatbaar zijn voor de varkensziekte.

Varna of Warna, de hoofdstad van het gelijknamige distrikt in Bulgarije, gelegen op de W. kust van de Zwarte Zee, is door een spoorweg met Roestjoek verbonden en bezit wel is waar een open reede, maar is toch de voornaamste zeehandelsplaats tusschen de monding van de Donau en den Bosporus. Het is de zetel van een Griekschen en van een Bulgaarschen metropolitaan en van onderscheidene vreemde consuls en telt (1905) 37 166 inwoners. De vestingwerken zijn sedert 1878 gesloopt. In de nabijheid ligt, te midden van wijngaarden, de vorstelijke zomerresidentie Eiuci/nograd. Het is een station van verschillende scheepvaartlijnen en de stapelplaats van den handel van O. lijk Bulgarije. Varna is waarschijnlijk het oude Odessus, een kolonie van Milete. Hier leden den 10d™ November 1444 de Hongaren onder Wladislaus III een bloedige nederlaag in den strijd tegen de Turken. In 1610 werd de stad ingenomen door de Kozakken. In den oorlog van 1828 viel zij den lid™ October in handen der Russen, en in Mei 1854 werd de stad door de Franschen en Engelschen bezet, om van hier den veldtocht naar den Krim te ondernemen.

Varnbtiler, Friedrich Gottlob Karl, vrijheer von und zu Hemmingen, een Würtembergsch staatsman, geboren den 13d™ Mai 1809 te Hemmingen, maakte, nadat hij een groot gedeelte van Europa bereisd had, van 1833—1839 deel uit van het distriktsbestuur te Ludwigsburg, hield zich daarna bezig met het bestuur van zijn goederen, stond van 1849—1863 aan het hoofd van een machinefabriek te Weenen en was sedert 1846, als vertegenwoordiger der ridderschap, lid van de Tweede Kamer. Hij bevorderde vooral de invoering der vrijheid van nijverheid door de wet van den 12"™ Februari 1862. In 1864 benoemd tot minister van Buitenlandsche Zaken en van het Koninklijk Huis, werd hij bovendien belast met het toezicht op de middelen van verkeer. Hij zorgde met ijver voor den aanleg van spoorwegen. In de Duitsche staatkunde was hij een voorvechter voor de zelfstandigheid der kleinere staten en bestreed hij de hegemonie van Pruisen. Van 1871— 11881 had hij zitting in den Rijksdag. In 1878 be-

Sluiten