Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemd tot voorzitter van de commissie voor het toltarief, had hij aan het tot stand komen van het beschermend tarief van 1879 een belangrijk aandeel. Hij schreef: „Über das Bedürfnis einer Gewerbegesetzgebung in Württemberg" (1846) en „Ueber die Frage eines deutschen Heimatsrechts" (1864). Hij overleed den 26sten Maart 1889 te Berlijn.

Varney, Pierre Joseph Alphonse, een Fransch musicus, geboren in 1811 te Parijs, ontving zijn opleiding aan het conservatorium onder Reicha, werd in 1835 orkestmeester te Gent, vervolgens in verschillende andere steden, daarna in 1846 aan het Thé&tre Historique te Parijs en vervolgens aan het ïhéatre Lyrique. Daarna keerde hij naar Gent terug, vanwaar hij naar Den Haag, Londen en Parijs vertrok, in welke stad hij korten tijd orkestmeester, vervolgens directeur van de Bouffes Parisiens werd. In 1866 werd hij directeur van het orkest van den grooten schouwburg te Bordeaux. In 1878 nam hij zijn ontslag. Hij overleed in 1879 te Parijs. Van zijn composities noemen wij: „Le Chevalier de Maison Rouge," „Mourir pour la patrie", „Atala", „Le Moulin joli", „La Quittance de minuit", „La Ferme de Kilmoor", ,,L' Opéra au camp", „La Polka des sabots", „Une Fin de bail" en „Une Leijon d' amour."

Varnhag-en, Adolfo de, visconte de Portoseguro, een Braziliaansch staatsman en geleerde, geboren den 17den Februari 1816 te San- Joaodo- IJpanema, wijdde zich aan de beoefening der

gescnieaenis en traa vervolgens in aiplomatieken dienst. Hij werd lid der Braziliaansche Academie, zaakgelastigde te Lissabon en Madrid, in 1858 gezant in Paraguay, daarna in Peru, Chili en Ecuador en in 1868 te Weenen. Hij schreef: „Diario da navegaijao de Martin Affonso de Souza" (2de druk, 1868), „Examen de quelques points de 1'histoire géographique du Brésil" (1858), „Amerigo Vespucci; son caractère, ses écrits, sa vie et ses navigations" (1865), „Nouvelles recherches sur les derniers voyages du navigateur florentin" (1869) en „Ainda A. Vespucci; novos estudos" (1874). Bovendien gaf hij een bloemlezing van de fraaiste Braziliaansche gedichten onder den titel „Florilegio de poesia brasileira" (3 dln., 1850— 1853) uit. Ofschoon oncritisch, waren zijn uitgave van het „Cancioneiro da Ajuda" (1849), de uittreksels uit het liederboek van het Vaticaan in het „Cancioneirinho de trovas antigas" (1870) en zijn studie over eenige Oud-Portugeesche ridderverhalen „Da litteratura dos Livros de cavallarias" (1872) toch van belang, omdat zij de OudPortugeesche letterkunde ontsloten. Hij overleed den 10den Juli 1878 te Weenen.

Varnhagen von Ense, Karl August, een Duitsch schrijver, geboren den 218ten Februari 1785 te Dusseldorf, studeerde te Berlijn en te Halle in de geneeskunde, wijsbegeerte en oude letteren. Reeds in 1803 gaf hij met Chamisso een „Musenalmanach" in het licht. In 1809 vertrok hij uit Tübingen naar het Oostenrijksche leger en werd na den slag van Aspern tot officier bevorderd. Later vergezelde hij den Oostenrijkschen generaal prins Bentham op onderscheidene reizen, o. a. in 1810 naar het hof van Napoleon te Parijs. In 1813 trad hij als kapitein in Russischen dienst en werd adjudant van Te.tknborn, dien hij naar Parijs vergezelde. Nog gedurende de oorïogstroebelen

gaf hij de „Geschichte der Hamburger Ereignisse" (1813) en de „Geschichte der Kriegszüge des Generals von Tettenborn" (1815) in het licht. Te Parijs benoemd tot ambtenaar in Pruisischen staatsdienst, vergezelde hij in 1814 den rijkskanselier Hardenberg naar het Congres te Weenen, in 1815 naar Parijs en werd vervolgens minister-resident te Karlsruhe. In den zomer van 1819 werd hij, tegen zijn zin, ontslagen, waarna hij meestal te Berlijn vertoefde. Op letterkundig gebied ging hij, na eenige proeven op het gebied der romantiek, spoedig tot dat der biografie en letterkundige critiek over. Zijn stijl, naar dien van Goethe gevormd, is fijn gepolijst. Tot zijn hoofdwerken behooren: „Deutsche Erzahlungen" (1815), „Vermischte Gedichte" (1816), „Geistliche Sprüche des Angelus Silesius" (1822), „Goethe in den Zeugnissen der Mitlebenden" (1823), „Biographische Denkmale" (3de druk, 10 dln., 1872), „Zur Geschichtschreibung und Literatur" (1833), „Denkwürdigkeiten und vermischte Schriften" (7 dln., 1843— 1846) „Karl Müllers Leben und kleine Schriften"

(1847), „Schlichter Vortrag an die Deutschen"

(1848), benevens een aantal levensbeschrijvingen van veldheeren. Hij overleed den 10den October 1858 te Berlijn. Uit zijn onuitputtelijke nalatenschap publiceerde Ludmillu Assing: „Briefe von Alexander von Humboldt an Varnhagen" (1860), „Briefe an eine Freundin" (1860), „Tagebücher" (14 dln. met register, 1861—1895), „Briefwechsel zwischen Varnhagen und Oelsner" (1865), „Briefe von Stagemann, Metternich, Ileine und Bettina von Arnim" (1865) en „Briefe von Chamisso, Gneisenau, Haugwitz enz." (2 dln., 1867). Zijn „Ausgewahlte Schriften" verschenen in 19 dln. (1871—1877).

Zijn echteenoote Rahel Antonie Friederike Levin.

geboren te Berlijn den 19den Mei 1771, een zuster van den dichter Ludivig Róbert Levin, verzamelde aldaar zoowel als te Parijs, te Praag en in Nederland een kring van geleerden en kunstenaars om zich heen. In 1808 leerde zij Varnhagen kennen, maar huwde hem pas na den dood van haar vriend Alexander von der Marwitz en nadat zij, oorspronkelijk tot een Israëlietisch geslacht behoorend, den Christelijken godsdienst had aanvaard, in 1814. Zij overleed den 7den Maart 1833 te Berlijn. Uit haar schriftelijke nalatenschap verschenen: „Rahel, ein Buch des Andenken für ihre Freunde"

(nieuwe druk, 3 dln., 1903) en „Gallerie von Bildnissen aus Rahels Umgang und Briefwechsel" (2 dln., 1836). Later verscheen nog haar „Briefwechsel mit David Veit" (2 dln., 1861).

Varoena is een van de voornaamste Indische goden in de oudere periode, wiens vereering echter reeds in de Rigveda bij die van Indra achterstaat. In de Rigveda draagt hij den naam Asoera en wordt hem vooral de arglistige strijdwijze, de Maya, toegeschreven. Hij beschikt over tallooze spionnen, die alle gedachten en daden der menschen bespieden, en hij straft de zonden, doordat hij de menschen in zijn strikken, waaronder later dikwijls de waterzucht verstaan wordt, vangt. Zijn almacht en alwetendheid wordt in eenige der fraaiste hymnen van de Rig- en Atharvaveda-liederen bezongen. Later verschijnt hij als de godheid der wateren en als één der acht Lokopalas (wereldhoeders).

Sluiten